Benoeming Gorré belemmert onderzoek decembermoorden

In Suriname rijst ook buiten het leger verzet tegen de benoeming van Gorré tot nieuwe bevelhebber. Organisaties voor mensenrechten protesteren omdat hij betrokken zou zijn geweest bij terreurdaden van het Surinaamse leger.

De handelwijze van de huidige Surinaamse legerleiding die in de kwestie-Gorré de regering haar wil tracht op te leggen is scherp veroordeeld door de Nederlandse regering en Nederlandse politici. Ook de pers laat zich niet onbetuigd. Voor het eerst is militair ingrijpen in Suriname om de juiste gezagsverhouding tussen burgerregering en militair apparaat te herstellen, niet langer taboe.

Bij zoveel sympathie en steunbetuiging voor de Surinaamse burgerregering is de vraag of die regering er wel verstandig aan heeft gedaan Arthy Gorré tot nieuwe bevelhebber van het Surinaamse leger te benoemen ondergesneeuwd geraakt. Gorré behoorde namelijk tot de "Groep van Zestien' die onder leiding van Bouterse op 25 februari 1980 de wettige regering-Arron via een staatsgreep naar huis stuurde. Op 11 maart 1982 probeerde Surindre Rambocus Bouterse te verdrijven, maar die poging mislukte. Een mede-couppleger, Hawker, ook een van de Groep van Zestien, werd gevangen genomen. De rest van de Groep van Zestien - inclusief Gorré - kwam te Fort Zeelandia bijeen en hield een soort "krijgsraad'. Het unanieme besluit viel om de zwaar gewonde Hawker standrechtelijk te executeren; daarvóór moest hij nog op de televisie, op een brancard gelegen, zijn daad betreuren.

Dat was de allereerste standrechtelijke executie die na de staatsgreep van 1980 in Suriname werd voltrokken. Hiertegen werd heftig geprotesteerd door onder meer de Surinaamse Orde van Advocaten bij monde van haar deken, mr. Kenneth Gonsalves en door mr. Harold Riedewald, bestuurslid van de Orde.

Tien maanden later werden de afschuwelijke 8-decembermoorden gepleegd, eveneens te Fort Zeelandia. Gonsalves en Riedewald behoorden, wegens hun protest tegen de standrechtelijke executie van Hawker, ook tot de geëxecuteerden. Arthy Gorré was ook bij deze executies betrokken, doordat dat hij met leden van zijn elite-eenheid, de Echo-compagnie, voor afleidingsvuur boven het Fort Zeelandia zorgde.

Na de 8-decembermoorden werd Gorré door Bouterse opgenomen in de legerleiding. In 1986 brak de "binnenlandse oorlog' uit (de gewapende opstand onder leiding van Ronnie Brunswijk). Het leger dat moeite had deze opstand in het ondoordringbare oerwoud te bedwingen, is toen terreur gaan gebruiken tegen de binnenlandbewoners. Het vredige dorpje Mooi Wana werd opzettelijk en zonder enige militaire noodzaak verwoest, waarbij meer dan honderd personen werden vermoord. Bejaarden, zwangere vrouwen en kinderen werden niet ontzien. Gorreé die destijds deel uitmaakte van de legerleiding draagt ook mede-verantwoordelijkheid voor deze en andere slachtingen. In 1987 stapte Gorré uit de legerleiding. Niet uit wroeging of omdat hij het met de militaire en politieke lijn van Bouterse oneens was, maar omdat Bouterse te veel luisterde naar zijn companen Mijnals en Sital, die volgens hem "geen die-hards, maar nep-militairen' zijn.

In Suriname komen nu ook de bezwaren los van de mensenrechtenorganisaties Gerechtigheid en Vrede en Mooi Wana van Stanley Rensch tegen de benoeming van Gorré. Ook de politieke partij DA91 heeft zich inmiddels tegen zowel het optreden van de legerleiding als tegen de benoeming van Gorré gekeerd. De Nederlandse regering en politici hadden er beter aan gedaan eerst die bezwaren aan te horen alvorens hun standpunt te bepalen. Die bezwaren komen hierop neer dat, indien iemand als Gorré die betrokken is geweest bij ernstige mensenrechtenschendingen, op zo'n hoge post wordt benoemd, een onderzoek naar en een eventuele vervolging van schuldigen wel kan worden vergeten. De Surinaamse regering zal immers zo'n onderzoek niet meer willen nu een door haar in een hoge functie benoemd persoon kans loopt te worden berecht.

Van de betrokkene kan niet worden verwacht dat hij zal ijveren voor zo'n onderzoek. Eerder zal hij zijn machtspositie gebruiken om belastend feitenmateriaal te verdonkeremanen. Een grondvoorwaarde voor herstel van iedere geschonden rechtsstaat is echter dat grove schendingen van het recht niet onder het tapijt worden geveegd, maar op zijn minst door een eerlijk en onpartijdig onderzoek worden vastgesteld.

Vreemd is dat in dezelfde week dat de Nederlandse regering instemming betuigde met de benoeming van Gorré, zij ook besloot hoger beroep in te stellen tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag, waarin de Staat werd veroordeeld een aantal hoge Surinaamse militairen (onder wie Gorré) die vallen onder de zogenaamde suppletieregeling achterstallig salaris uit te betalen. Dat hoeft de Staat volgens het vonnis niet te doen als vaststaat dat de desbetreffende militair betrokkenheid bij de 8-decembermoorden kan worden verweten, zoals in het geval van Gorré hoogstwaarschijnlijk wel het geval is.

Natuurlijk verdient de Surinaamse burgerregering-Venetiaan steun bij haar pogingen het Surinaamse leger zijn plaats te wijzen in een democratisch staatsbestel. Die regering verdient echter geen steun bij een benoeming die haaks staat op de beginselen van rechtsstaat en rechtvaardigheid en die kwetsend is voor allen die na het wrede verlies van man, vrouw, kinderen en goede vrienden hun leven lang een trauma met zich moeten meetorsen.