Zaal

In de VPRO-gids nummer 15 staat een interessante column van Rik Zaal. Hij heeft gelezen dat de Spaanse kinderen op de televisie iedere avond gemiddeld negentig gewelddadige acties zien. Een Spaans kind van achttien heeft drie jaar van zijn leven besteed aan het kijken naar moord en doodslag.

Zaal stelt zich dan de oude vraag: Zet het kijken naar geweld aan tot het plegen van geweld? Daarmee vindt hij zichzelf een "oude zeur'. Hij geeft zichzelf geen antwoord, maar verpakt het probleem in stokoude argumenten, die hem misschien de overtuiging geven dat hij zodoende geen "oude zeur' zal zijn. Wat dan wel? Omdat ik op deze plaats de polemiek vermijd, geef ik op mijn beurt geen antwoord. Zaal ziet dan een oude James Bond-film op de Spaanse televisie. De voorstelling wordt wel tien keer onderbroken door reclame. Ik heb het gevoel dat de columnist hier de kans ziet zich uit zijn zelf opgestelde val te bevrijden. Hij denkt opeens: "Zou reclame ook tot reclame aanzetten en zouden kinderen, ongemerkt, steeds meer reclame maken?' Ook nu geeft hij geen antwoord, alweer misschien, omdat hij veronderstelt met het stellen van de laatste vraag de eerste te hebben beantwoord, en wel met nee.

In de zwart-wit-tijd van de televisie had je Floris, de onvergetelijke produktie van Max Appelboom onder regie van Paul Verhoeven met Rutger Hauer in de hoofdrol en het "stuntteam' van Hammie de Beukelaar belast met de geweldpleging. Het verhaal speelt in de vroege Middeleeuwen, maar toch weet ik zeker dat ik op de achtergrond eens een trein heb zien rijden. Als er een aflevering was vertoond, trokken de kinderen met houten zwaarden de straat op om Hammie de Beukelaar te spelen. Daarmee wil ik niet zeggen dat ik hier het bewijs heb geleverd dat Rik Zaal niet wil geven.

Er is nog altijd een school in het opvoedingsdenken die de zienswijze verdedigt dat je kinderen geen oorlogsspeelgoed moet geven omdat ze er oorlogszuchtig van worden. Toen ik kind was trof je daar veel aanhangers die ook lid waren van de VPRO. Televisie was er nog niet; de oorlogszucht werd bevorderd door het radiohoorspel van de VARA, Ome Keessie die korte metten maakte met internationale misdadigers. Je zou kunnen zeggen dat Ome Keessie een voorloper is van James Bond. Intussen was de oorlog uitgebroken; het slechte voorbeeld werd in de praktijk gegeven. De kinderen hebben vijf jaar oorlogje gespeeld, zoals ze dat nu in het vroegere Joegoslavië doen. Regelmatig zie je foto's van jongens met een houten geweertje. Het is alsof ik mezelf zie. Het is misschien een aanwijzing voor een samenhang tussen zien en doen maar ik geef toe: geen wetenschappelijk bewijs.

Op woensdag staan de bioscoop-advertenties in de krant. In Nederland valt het mee, hier worden de films met een plaatje van op z'n hoogst een vierkante decimeter aangeprezen. In een keurige krant als de New York Times gaat het per pagina en er zijn altijd wel een paar sombere helden die hun pistool op de lezer richten. Als je in de grote steden van beschaafde westerse landen loopt, zie je je om de haverklap van de muur af met een vuurwapen bedreigd en het valt nog mee als het een revolver is. Vooraanstaanden als Stallone en Schwarzenegger doen het met niet minder dan een Uzi of een Browning punt 50, zoals dit machinegeweer heet. Ik zeg niet dat er direct verband is tussen deze zondvloed van voorbeelden en de 2.000 moorden die in de stad New York per jaar worden gepleegd. Er zijn daar mensen die zo'n samenhang wel zien. Ze knippen berichten over de moorden van de dag uit de krant en plakken die op de affiches. Nobele mensen; even nobel als de ouders die de vrede bevorderen door hun kinderen geen oorlogsspeelgoed te geven. M'n beste wensen vergezellen hun acties.

Toen Ajax zijn triomfen in het Europees voetbal bevocht, raakte een hele generatie jongens en ouderen "in Ajax'. Het was geen sport meer, het was een geloof. Er was een hele voetbalcatechismus met een boek der boeken waarin de portretten van de sterren werden geplakt. Zondagavond brak de Dienst aan, de Hoogmis, de rituele zitting; dat was Studio Sport. Het straatvoetbal bloeide als nooit tevoren en zoals het daarna niet meer heeft gedaan. De wetenschap moet nog altijd de omvang meten van de gaten die toen door het voetbal in de rest van de opvoeding zijn geslagen. Verband tussen zien en handelen? Laten we geen overhaaste conclusies trekken.

Ik kijk zo weinig mogelijk naar de televisie. De voornaamste reden is dat ik iets beters te doen heb, en een van de bijkomende dat ik al te vaak een aaneenschakeling van valsheid, overspannenheid, schijnheiligheid, gewichtigheid, afgewisseld met een onzegbare ploertigheid zich zie afspelen. Vals en overspannen zie ik vooral de figuranten in de reclamespots; schijnheilig en gewichtig tref ik een talkshowmaster, een politicus of vakbondsleider; en ploertig vind ik menig amusement van nationale gedurfdheid of van een geïmporteerde film. Betekent dit dat er een valse, overspannen, schijnheilige, gewichtige, bij tijd en wijle ploertige generatie ontstaat? Dat zou ik niet graag voor m'n rekening nemen.

Wat is dan het verband tussen zien en doen? Dat is nooit nauwkeurig vast te stellen. De een doet het waargenomene na, en de ander wordt tot het tegendeel geïnspireerd; de een komt op een idee dat door de ander wordt bestreden. Tot zover gaat het om iedereen afzonderlijk. Maar "het algemene zien' zoals dat door de televisie wordt veroorzaakt, heeft natuurlijk nog een andere invloed. Wat met grote frequentie wordt vertoond veroorzaakt een veralgemening van het oordeel. Van de dagelijkse drie minuten schieten op Sarajevo zal hier geen burgeroorlog ontstaan, maar integendeel een algemeen medelijden dat zwakker wordt naarmate het langer duurt. Een aantrekkelijk geënsceneerde roofoverval in een speelfilm kan heel andere gevolgen hebben, hoewel niet op iedereen dezelfde. Wat denken we van deze stelling: het zeer veel zien van een genre film, handelingen, taferelen sijpelt door in de maatstaven en gedragingen van het publiek. Zou dat vaag genoeg zijn?

Ik kom terug tot de conclusie met vraagteken van Rik Zaal: zou reclame ook tot reclame aanzetten en zouden kinderen, ongemerkt, steeds meer reclame gaan maken? Het antwoord is: ja, veel kinderen en ook volwassenen doen dat en wel voor zichzelf. Er is na de Renaissance geen periode waarin de meeste mensen zo hun best doen om er zo geniaal, sterk, schitterend mogelijk uit te zien en zich zo vervaarlijk mogelijk te gedragen, het liefst met vermijding van ernstige consequenties voor zichzelf. Toen was er geen televisie; derhalve is het nu erger.