WEIGEREN

Papjochies, Bonzen en Stenengooiers. Twee decennia dienstweigeren door Flip ten Cate, Maarten Evenblij en Guus Termeer 109 blz., gell., Antimilitaristische Uitgeverij 1992, f 19,95 ISBN 90 71124 50 9

Het leger wacht een grootscheepse omschakeling: professionalisering, mobiele luchtbrigade, en vredesinterventie zullen daarbij de sleutelwoorden zijn. Met deze radicale veranderingen in het verschiet, zou het interessant zijn te weten hoe het met een kleine groep dienstplichtigen staat die al vele jaren van tijd tot tijd voorpaginanieuws is: de dienstweigeraars. Sterven zij uit, komen er bij, veranderen hun beweegredenen?

Een organisatie die op die vragen in ieder geval geen antwoord meer heeft, is de Vereniging Dienstweigeraars die vorig jaar het bijltje er bij neer legde, na 21 jaar trouwe dienst(weigering). Ter gelegenheid van die opheffing verscheen Papjochies, Bonzen en Stenengooiers. Twee decennia dienstweigeren, waarin een tiental weigeraars en zes mensen die hen terzijde stonden, of juist tegenover hen aan de tafel zaten, aan het woord komen. Uit het boekje wordt niet duidelijk wat er nu de laatste jaren zo mis is gegaan dat tot opheffing werd besloten, want intern gekrakeel over vakbondsbeleid of actiebeleid, tegenstellingen tussen de regio en het Amsterdamse hoofdbestuur, en gebrek aan mankracht hebben de vereniging altijd geplaagd.

Maar de roemruchte jaren van totaalweigeraars als Kees Vellekoop zijn voorbij. Niemand laat zich meer met veel spektakel oppakken en berechten, begeleid door kamerleden en omstuwd door actieve sympathisanten. En dat geldt ook voor de grote anti-militaristische acties van Onkruit, ooit begonnen als werkgroepje van de Vereniging Dienstweigeraars tégen Amerikaanse legertreinen en vóór de bezettingen van militaire lokalen en objecten. Met de kraak- en vredesbeweging behoort de georganiseerde dienstweigering tot het verleden. Het boekje doet geen poging tot analyse van de afkalving, maar volstaat met een opsomming van de motieven en wederwaardigheden van een reeks van prominente weigeraars, en die verschaft op zichzelf enig inzicht in de groeiende overbodigheid van de vereniging.

Duidelijk blijkt dat met het voortschrijden van de tijd de motieven om te weigeren steeds persoonlijker en vager werden, en dat de antimilitaristische acties zich steeds meer met uiteenlopende linkse splintergroepen, van krakers tot feministen verbonden. Ten slotte bereikten de drijfveren onder de geciteerde kopstukken zo'n graad van individueel opportunisme dat zij zich nauwelijks onderscheidden van die van de verfoeide "weigeryuppen' die zich door handige advocaten uit de dienst laten houden.

Is de taal van de oude weigeraars wat gewichtig, en zijn hun overwegingen soms pijnlijk en benauwd, de latere redeneringen van de weigeraars staan bol van een narcistisch jargon, vervuld van ""impulsief doen, publiciteit halen, agitatiemomenten creëren'. Het verbaast dan ook niet dat de ambtenaren van het ministerie waarmee de vereniging overleg voerde over hen spreken als over die jongens ""die eigenlijk nooit zo lastig zijn geweest'.