UNIFORM (2)

Hoeveel meters stof je nodig hebt om een tot mislukken gedoemde allochtoon te veranderen in een tirannieke wetsdienaar - dat vroeg ik me af toen ik voor het eerst door de "wagenbegeleider' werd bekeurd. Zonder uniform een notoire misfit, met uniform een machtswellusteling die de door hem betrapte zwartrijders met een zwierig gebaar op de bon slingerde.

Ik probeerde eerst nog even uit te vissen of hij vatbaar was voor etnische sentimenten: ""Ken ik je niet van ergens?'' vroeg ik dus, conform het cliché dat alle Surinamers elkaar kennen en iedereen een ander wel iets schuldig is. ""Ik denk het niet,'' zei hij op ambtelijke toon, zonder van zijn boekje op te kijken, ""wat is uw adres?''

De rotzak. Mijn woede was natuurlijk ook een gevolg van schaamte, omdat ik als een kwajongen werd behandeld door iemand op wie ik onder normale omstandigheden een natuurlijk, en zeker een geestelijk overwicht zou hebben.

En nu zat ik dan hier, in zijn huis, of preciezer: in het huis van zijn zus bij wie hij inwoonde. Ik was nu de wetenschappelijk onderzoeker die van zijn baas toestemming had gekregen om hem te ondervragen.

Het was maar een kortstondige triomf, want al heel gauw was ik zo begaan met zijn lot, dat de kwestie van zijn uniform-gehechtheid op de achtergrond raakte. Haroen heette hij en hij was op tienjarige leeftijd naar Nederland gekomen, samen met zijn moeder en vijf broers en zussen. Zijn vader, die douane-ambtenaar was geweest (""droeg ook uniform!'' noteerde ik langs de kantlijn, maar vergat het later helemaal), was een paar maanden eerder uit Suriname vertrokken om alles voor zijn gezin te regelen. Hij haalde ze af op Schiphol, en ze merkten meteen dat er iets niet pluis was. ""Het was alsof hij niet blij was om ons te zien,'' zei Haroen, met de eenvoudige woorden die hij tot zijn beschikking had.

Zo zelfverzekerd als Haroen tijdens zijn werk was, zo bedeesd zag hij er nu uit. Weggedoken in een hoek van de bank, de knieën dicht tegen zijn borst gedrukt. Zijn haar was nat en zat nu plat en sluik, zoals het een hindoestaanse jongen van het platteland betaamt. Ik bedacht dat hij uren met de haarföhn in de weer moest zijn om de Duran Duran-coupe te krijgen waarmee hij rondliep als hij dat donkerblauwe pak van het Vervoerbedrijf droeg. Nu had hij een oversized wit overhemd aan (jawel, kraagje opgetrokken) en een zwarte joggingbroek. Het was één uur 's middags en aan zijn gezwollen gezicht was te zien dat hij te lang geslapen had. ""Als hij niet naar het werk moet, blijft hij de hele dag in bed liggen,'' had zijn zus al geklaagd toen ze mij binnenliet.

Goed, de vader was niet blij geweest toen hij zijn familie na maanden terug zag. Hij bleek aan een ernstige ziekte te lijden waaraan hij een jaar later overleed, maar erger was nog dat hij in die korte tijd dat hij in Nederland zonder vrouw en kinderen was, een andere vrouw had genomen. Een jong meisje - ""zo oud als mijn zuster,'' zei Haroen met nog hoorbare verbittering.

Het gezin kwam op de negende verdieping van een hoogbouwflat in de Bijlmer terecht (""Het was wel mooi, vergeleken met ons huis in Suriname, licht en groot, en een mooi uitzicht; alleen deden de liften het meestal niet'') en was volkomen op zichzelf aangewezen. Zijn moeder was een zo goed als analfabete vrouw, die altijd onderdanig was geweest aan haar man, in ruil voor zijn zorg en leiding. Nu was die leiding er niet meer. Hij liet geld op tafel achter en vertrok, de eerste dag al, en de kinderen hadden alleen dunne kleren uit de tropen meegenomen. Hier was het herfst en ze wist niet hoe je aan warme kleren kwam (""waar woonde de kleermaker?'') of waar je brood en melk en rijst moest halen. Ze ging op de koffers zitten en begon te huilen. De kinderen keken verward. Vreemd land, vader weg.

"Maar we kwamen er wel weer bovenop,' zei Haroen, om het gesprek een minder zwaarmoedige wending te geven. Maar ook dat duurde niet lang. Twee jaar later liep de oudste zus (bij wie hij nu was ingetrokken) uit huis weg. Zwanger, vriendje wilde niet trouwen. Zijn broer van in de twintig nam intussen de leiding over. Hij kocht kleren, nieuwe meubels, kadootjes, en verdween toen voor een paar maanden in de gevangenis, wegens handel in drugs. Moeder huilde. Haroen zelf had geen zin meer in school. Leren was niet z'n sterkste kant. En hij had geen vriendjes, omdat hij niet kon voetballen, en geen vriendinnetjes, omdat hij zo verlegen was dat hij in het buurthuis of in de disco in het behang kroop. Eigenlijk sliep hij het liefst en las hij stripboekjes. Met zijn twee jongere zusjes en z'n broertje is het trouwens ook niet geweldig gegaan. Huishoudschool, lagere technische school, niet afgemaakt. Haroen, bedachtzaam: ""Als we in Suriname waren gebleven, was het beter geweest. De kinderen van mijn oom zijn daar gebleven, en één is nu dokter.''

Haroen ging het huis uit omdat hij het verdriet en de treurnis niet meer kon aanzien: ""Mijn moeder jankte te veel, weet je, en ze begon tegen me te zeiken,'' zei hij met feilloos Amsterdams accent. Ze jankte ook om hem natuurlijk, omdat hij de hele dag niets deed, zichzelf in de slaapkamer opsloot, soms dagen niet at. Hij had maar één keer een vriendinnetje gehad, op haar initiatief. Gelukkige tijd. Maar hij kon niet dansen, had geen auto en geen geld. Einde romance.

Zijn zuster was kordater. Zij accepteerde hem in huis, maar eiste dat hij werk zocht. De dienstplicht leek een uitkomst, maar hij werd afgekeurd, tot twee keer toe, omdat hij onder de vijftig kilo was. Daarna solliciteerde hij bij de politie: ""De instructeur liet me bij de eerste test honderd meter rennen, en toen zei hij: "ren maar gewoon door, naar huis'.'' Haroen kon er wel om lachen.

Hij begon weer hele dagen in zijn slaapkamer door te brengen, maar vlak voordat zijn zus hem het huis uit joeg zag hij die advertentie voor "wagenbegeleiders' bij het Gemeentelijk Vervoerbedrijf. Hij legde de toelatingstest - een opstel van tweehonderd woorden - met goed gevolg af en ook de opleiding van zes weken verliep zonder problemen.

"Toen had je je uniform,' zei ik. Hij knikte, met lichte glans in zijn ogen, en ging rechtop zitten. Het werk was spannend en avontuurlijk, ze verzonnen allerlei listen om de zwartrijders te pakken, zoals op het laatste moment de wagon instappen, of de uitgang blokkeren. Elke dag weer iets nieuws, omdat de zwartrijders ook telkens nieuwe truukjes verzonnen: kaarsvet op de strippenkaart, waardoor ze de stempel konden uitvegen. Soms werd het gewelddadig, maar dan sprongen ze er met z'n vijfen bovenop.

Hij hield van zijn uniform, gaf Haroen openlijk toe. Het liefst had hij ook een pet gehad, maar die was afgeschaft. De mensen moesten goed kunnen zien dat hij een bepaalde verantwoordelijkheid droeg. Vooral oudere Amsterdamse vrouwen respecteerden hem en maakten hem complimenten. Dat compenseerde de scheldwoorden die hij van de zwartrijders kreeg (""Het is echt stressen van al die dingen die ze je toeroepen, weet je''). Hij en zijn collega's waren op elkaar aangewezen, terwille van hun eigen veiligheid. ""Zo krijg je kameraden, net als in het leger.''

Macht en kameraadschap, het waren belangrijke vormen van zingeving. Maar meer dan dat was het de orde die aan Haroen zijn uniform-gehechtheid gaf: ""Je weet meteen waar je staat, wie achter je staat en wie tegenover je staat. Het geeft duidelijkheid, weet je.''

Dat had hij wel nodig, die duidelijkheid, na de chaos die zijn leven tot dan toe was geweest.