Topman van Opec acht ecotax oneerlijk

ROTTERDAM, 10 APRIL. Secretaris-generaal Subroto van de Organisatie van olie-exporterende landen acht de nieuwe milieubelasting op energie ("ecotax') die de Europese Gemeenschap en de Verenigde Staten volgend jaar willen invoeren “volstrekt oneerlijk”. Dit zegt hij in een interview met deze krant aan de vooravond van het overleg tussen de olielanden in de Omaanse hoofdstad Muscat.

Subroto vindt dat olie in de plannen voor de ecotax als enige brandstof wordt gediscrimineerd. De rijke Westerse landen verdienen door hoge accijnzen en heffingen op benzine en andere brandstoffen al “meer dan redelijk is” aan de olie, zegt hij. Bovendien worden kolen en kernenergie in een aantal Westeuropese landen nog gesubsidieerd. In 1991 kregen de olielanden gemiddeld 18,90 dollar voor een vat olie, terwijl de OESO-landen op hetzelfde vat gemiddeld 69,20 dollar aan belastingen verdienden. In West-Europa is dat cijfer nog aanzienlijk hoger: de prijs van elke liter benzine die de consument aan de pomp betaalt, bestaat voor 70 procent uit belastingen en heffingen. Terwijl de opbrengst van die belastingen in de periode 1980-1990 met 132 procent toenam, daalden de verdiensten van de olielanden met 30 procent. Dr. Subroto is het eens met het doel van de ecotax: een schoner milieu. Maar dat wil hij op een “eerlijke manier” bereiken, die alle landen ten goede komt en niet alleen het rijke Westen. Over de hele wereld zou een ecotax moeten worden ingevoerd, die wordt geïnd, beheerd en weer uitgegeven door een organisatie van de Verenigde Naties.

Opec en de onafhankelijke olielanden beraden zich in Muscat over maatregelen tegen de ecotaxplannen van president Clinton en de EG, bijvoorbeeld een rantsoenering van de olie-export. Ook willen ze een strengere aanpak van de huidige overproduktie, waardoor er te veel olie op de wereldmarkt komt en de Opec-richtprijs van 21 dollar per vat olie niet gehaald wordt.