Stadhuis van Apeldoorn beëindigt de non-ruimte

De tentoonstelling van het werk van Hans Ruijssenaars is t/m 25 april te zien in het Van Reekum Museum, Churchillplein 2, Apeldoorn. Catalogus ƒ 40.

Weinig gebouwen in Nederland hebben zulke vèrgaande politieke repercussies gehad als het nieuwe stadhuis in Apeldoorn. Tussen het eerste idee in 1988 en de opening ruim twee maanden geleden zijn er zes wethouders van drie partijen over gevallen, de laatste, PvdA'er Hans Porringa, nog een week voor de oplevering. Op het marktplein van Apeldoorn slaakt architect Hans Ruijssenaars (48) een zucht van verlichting: “Ondanks al die turbulentie vind ik het een mooi gebouw geworden.”

Welbeschouwd was het Ruijssenaars zelf die de controverse op gang bracht: hij stelde voor om het nieuwe stadhuis pal in het centrum, aan de markt, te bouwen. “Met zijn 150.000 inwoners is Apeldoorn de achtste stad van Nederland. Toch heeft het nog altijd de structuur van een dorp, met veel open ruimte in de binnenstad. De markt bijvoorbeeld was een vormeloze non-ruimte, een soort weiland in de stad.” Nu maakt het centrum een inhaalmanoeuvre, zowel stedebouwkundig als economisch; de winkelhuur is zelfs hoger dan in Amsterdam. Daar hoort de bouw van het stadhuis in het centrum bij. De politieke commotie over deze schaalvergroting beschouwt Ruijssenaars dan ook als een "groeistuip' van een groot dorp dat stad wordt.

Nu begrenst het stadhuis de markt als een lange wand van 130 meter. Om te voorkomen dat die wand een muur zou worden, heeft Ruijssenaars over de hele lengte een arcade gemaakt met een dubbele zuilenrij. De gevel is ook niet één gelijksoortig vlak, maar opgebouwd uit verspringende delen, uitgevoerd in verschillende materialen: van onderen helder glas en glazen bouwstenen, van boven wit baksteen met een patroon van gele kruisen. De decoratie, aldus de architect, verwijst naar het Dogenpaleis in Venetië. Rondom de dakrand steekt een kraag van draadglas schuin omhoog. Er is volgens de architect een verband tussen deze 'driedimensionale' gevel en de Apeldoornse villa's. “Veel Nederlanders kwamen hier bij hun terugkeer uit de tropen wonen en bouwden serres aan hun villa's. Zo ontstonden eenvoudige bouwvolumes met een fijnmazige rasterstructuur eromheen.”

De twee kantoorvleugels worden verbonden door de hoge witte "burgerzaal', een publieke ontmoetingsplaats die is geïnspireerd op de Burgerzaal van het Paleis op de Dam. De trappen golven als sculpturen langs de wanden. Over één wand loopt een smalle schuine streep van blauw neon, een kunstwerk van François Morellet dat fijnzinnig de draak steekt met de lange rechte assen van het gebouw. Overal is daglicht; in de kantoren van de ongeveer duizend ambtenaren wordt het getemperd door wanden van "rijstpapier', helder glas met glasvlies ertussen. De werknemers kunnen zelf de verwarming en het licht regelen en een raam openzetten. Volgens de architect is dit het grootste moderne gebouw in Nederland zonder klimaatbeheersings-installaties.

Aan de oostkant van het hoofdgebouw huist de marktmeester in een twintig meter hoge losse toren, geel en wit gestreept, met een stalen wenteltrap er bovenop. Een folly? Ruyssenaars lacht: “Net zoals een pier bij de zee hoort, hoort een toren bij een stadhuis, net als vroeger bij een kerk. Enerzijds is de toren de ultieme nutteloosheid, anderzijds gaat het vak van de architect juist over het overwinnen van de zwaartekracht.”

Na zijn studie ging de Ruyssenaars een jaar naar Amerika om te werken bij Louis Kahn. Van hem, zegt hij, heeft hij veel over licht in de architectuur geleerd. Terug in Nederland sloot hij zich in 1970 aan bij een bureau, nu Loerakker Hendriks Rijnboutt Ruijssenaars, dat met tachtig medewerkers een van de grootste van het land is. Sinds 1990 is hij hoogleraar aan de TU in Eindhoven. Hij heeft inmiddels door het hele land allerlei soorten projecten gebouwd, van sociale woningbouw tot en met laboratoria en kantoren.

Naar aanleiding van de opening van het stadhuis wijdt het Van Reekum Museum een tentoonstelling aan zijn omvangrijke oeuvre. Meer dan de gebouwen zijn het de schetsen die er de boventoon voeren. Van meet af aan heeft Ruijssenaars al zijn architectonische gedachten, rijp en groen, op A3-vellen vastgelegd. Dit persoonlijke archief beslaat inmiddels ruim twintigduizend bladen. Op de selectie die het museum toont passeren duizend varianten op torens en straatbeelden, plattegronden en staalankers de revue.

Tegelijkertijd met het stadhuis van Apeldoorn werkte Ruijssenaars aan twee opvallende projecten in Amsterdam: het veelbesproken casino aan het Leidseplein (“een van de gezelligste belastingkantoren van Nederland”) en de herinrichting van het oude Amsterdamse hoofdpostkantoor als het winkelcentrum Magna Plaza. Zijn laboratorium voor de Landbouwhogeschool Wageningen is net klaar, en deze zomer opent zijn uitbreiding van het ministerie van Economische Zaken.

Tot een vaste stijl of stroming heeft Ruijssenaars zich nooit bekeerd. “Met stijl heb ik niets van doen, die is niet meer dan een samenvatting die anderen achteraf bedenken.” De constanten in zijn werk zijn abstracter: de benadering van het licht, bijvoorbeeld, en van de "schillen' waaruit hij zijn gebouwen opbouwt. Zo benadert de bezoeker het casino tussen hoge schermen, de "weifelzone' waar de wereld vernauwt, het daglicht geleidelijk afneemt en de spanning wordt opgevoerd. Over de hoeveelheid licht die de gekleurde glaskoepel mocht doorlaten, is het verschil van mening tussen architect en opdrachtgever zo hoog opgelopen, dat het bijna tot een kort geding kwam. Een nagel aan zijn doodskist, zegt hij nu nog. “Liefst wilde de opdrachtgever binnen uitsluitend kunstlicht gebruiken. Het is er donkerder dan ik zou willen, maar wie er gevoelig voor is, kan daarbinnen nog altijd een wolk voor de zon zien passeren.”