Rumoer op de bollenvelden

Nu de praal van de erythroniums achter de rug is, kan er weinig twijfel bestaan over wat op dit moment het mooiste bolgewas is in de tuin: Fritillaria meleagris, de kievitsbloem, ook wel genaamd het kievitseitje. Deze benaming is te danken aan een zekere gelijkenis tussen de ongeopende bloem en het ei van de kievit: dat wordt vermoedelijk nog versterkt door het feit dat de kieviten bezig zijn van hun winterkwartieren terug te komen wanneer de bloemen uit zijn (of om precies te zijn bijna uit zijn). De gebruikelijke Engelse naam, Snake's-head Fritillary, klinkt niet erg plezierig, hoewel misschien wat accurater: de ongeopende bloem heeft inderdaad ook iets van een slangekop. Andere Engelse namen zijn Lazarus Bell en Leopard Lily, een verbastering van Leper's Lily, ofwel leprozenbel, verwijzend naar de waarschuwingsbel waarmee melaatsen hun komst plachten aan te kondigen. Het is waar dat de bloem van het kievitsei merkwaardig is; het valt mij niettemin moeilijk haar te zien in het sombere licht dat deze namen suggereren, maar ik heb dan ook nog nooit een leprozenbel gezien. Vita Sackville-West beschreef de plant als "een sinister bloemetje in de bedroefde kleuren der ontbinding'. Sinister is een woord dat mij niet zou zijn ingevallen; zouden leprozenbellen dan soms geruit zijn geweest?

Want dat is het meest spectaculaire van de kievitsbloem: dat zij geruit is. Het is niet een patroon dat je op planten verwacht; alle mogelijke andere patronen zijn aanvaardbaar: stippels, streepjes, vlekken, randjes, maar je voelt om een of andere reden dat ruitmotieven beperkt zouden moeten zijn tot theedoeken en schaakborden. Ook de kleur is tamelijk onverwacht, vooral om deze tijd van het jaar: bij lentebloemen denk je aan heldere en vrolijke tinten, niet aan Victoriaanse dames in de latere stadia van rouw (d.w.z. paars). Niets lijkt minder op de gele narcis, de traditionele heraut van de lente, dan de kievitsbloem.

In mijn tuin heb ik er een gemengde groep van; de kleuren lopen van diep paars tot bijna wit, met alle schakeringen er tussenin. Je kunt niet zeggen dat de ene soort mooier is dan de ander: degene waar je het laatst naar hebt gekeken zijn tijdelijk de mooiste; dat pleit bij de aankoop van de bollen voor de gemengde pakjes. De bloemen hangen vanaf de gebogen stengel op onloochenbaar decadente wijze naar beneden, herinnerend aan ouderwetse lantaarnpalen; voor ze ontluiken zijn ze inderdaad eivormig, en eenmaal geopend is er een opvallende gelijkenis met een Jugendstil lampekap. Misschien dat dat het negatieve oordeel van Vita Sackville-West kan verklaren: Jugendstil is tot na de Tweede Wereldoorlog bij het grote publiek buitengewoon impopulair geweest, niet een object van onverschilligheid maar van afkeer en haat. Haar wereld was meer die van Tudor England dan al die continentale decadentie.

Fritillaria meleagris is, in tegenstelling tot veel andere bolgewassen, niet zeer moeilijk in de omgang: ze verdragen schaduw, maar houden er niet van al te droog te staan. Het schijnt dat zij de neiging hebben na een paar jaar te verpieteren; ik heb de mijne nog niet lang genoeg om dit te kunnen vaststellen. Het is ook een van de weinige voorjaarsbollen die inheems zijn in dit deel van Europa, hoewel het uiterst zeldzaam is er een te vinden in het wild. Bulbs, door Roger Phillips en Martyn Rix (Pan Books 1989), bevat een foto van zo'n wild exemplaar in Gloucestershire, in Engeland, genomen in 1964 (zie illustratie).

Het feit inheems te zijn bespaart de kievitsbloem het verstoorde geslachtsleven van de geïmporteerde bollen. Volgens Peter Bernhardt, een botanicus, in The International Herald Tribune van 23 Maart 1993, ""moeten de voorjaarsbollen van openbare parken en tuinen [in de VS] gezien worden als symbolen van seksuele frustratie, niet van een herlevende natuur. Amerikaanse hommels en geïmporteerde commerciële honingbijen doen enig goed werk maar zijn povere stuifmeel-overbrengers. In het Middellandse zeegebied worden crocussen bezocht door vliegen, vlinders en solitaire bijen. Bij ons lopen dezelfde bloemen meer kans te worden geplunderd door zwermen Engelse mussen, wanhopig op zoek naar nectar.''

Dat is een delicate kwestie, vooral wanneer je bedenkt hoe tuinieren gepreoccupeerd is met het importeren van planten uit andere delen van de wereld en met hun aanpassing aan plaatselijke omstandigheden. Eigenlijk zouden ook de bestuivers moeten worden geïmporteerd. Een interessante vraag is ook in hoeverre bestuiving bloemen seksuele bevrediging verschaft; het herinnert aan de verhalen in boeken als The Secret Life of Plants (door Peter Tomkins en Christopher Bird, Allen Lane 1973), over bomen die een schreeuw geven wanneer er in ze wordt gehakt en zelfs planten die op spookverhalen reageren: ""Op zekere momenten in het verhaal, zoals: "...Charles boog zich voorover en lichtte het deksel van de doodskist op..', scheen de plant aandachtiger te luisteren.''

Misschien zou "reproductieve bevrediging' een passender term zijn. ""Van Iran tot Israel'', aldus Peter Bernhardt, ""hullen tulpen zich gloeiend rode tinten om de harige scarabeeën aan te trekken die nodig zijn voor de kruisbestuiving. Deze insecten komen nooit naar Amerika.'' Ik moet zeggen dat ik ook nooit veel van hen in Holland ben tegengekomen. Hoe doen de tulpen het hier?

Het antwoord is vermoedelijk dat ze het niet doen; ze zijn aangewezen op kunstmatige inseminatie. Putten zij daar enige bevrediging uit? Sommige fokdieren, er toe gebracht zich onder valse voorwendselen (zoals geur) af te geven met namaak-soortgenoten, schijnen deze na verloop van tijd te prefereren boven de echte. Misschien verschaft een fijn penseel, liefdevol gehanteerd, grotere genietingen dan de hommel.

De bloemen van alle gewone Europese fritillaria kijken naar beneden, hetgeen het bestaan van een of andere laagvliegende of wandelende Europese bestuiver suggereert. Daardoor maakt hun liefdesleven ook een discretere indruk dan dat van de tulp. Medelijden overvalt je met de arme tulpen in gematigde luchtstreken, hardvochtig getransplanteerd uit hun geboorteland, vergeefs hun geheime delen ontblotend voor een lege en vreemde hemel. Ja, misschien stijgt uit de Nederlandse bollenvelden, waar wij in onze botheid doof aan voorbijgaan, wel een gekerm op dat Tompkins en Bird hun handen aan hun oren doet slaan.