RECHTDOEN AAN VANDALEN

Groepsgeweld door prof. mr. D. H. de Jong en mr. W. Wedzinga (red.) 212 blz., Gouda Quint 1992, f 60,-- ISBN 90 387 0100 4

Zijn er grenzen aan de strafrechtelijke aansprakelijkheid? door J. de Hullu 61 blz., Gouda Quint 1993, f 32,50 ISBN 90 387 0104 7

Het was een hele teleurstelling voor het Openbaar Ministerie toen het gerechtshof in Leeuwarden anderhalf jaar geleden in hoger beroep uitmaakte dat de krakers van het Wolters Noordhoff complex in Groningen niet een criminele organisatie in de zin van de strafwet vormden. Op individuele basis werden veroordelingen wegens de vernielingen bij de ontruiming van het complex wel gehonoreerd. Maar de rechters wezen een collectieve verantwoordelijkheid voor het groepsgeweld in dit geval af.

Het parket van de procureur-generaal bij het Leeuwarder gerechtshof heeft de teleurstelling op een creatieve manier verwerkt. In samenwerking met twee wetenschappelijke instellingen organiseerde het een symposium over de juridische aanpak van groepsgeweld - tevens de titel van de bundel die deze bijeenkomst opleverde. Daarin komen ook allerlei praktische aspecten, zoals de afstemming tussen bestuurlijke en justitiële autoriteiten, alsmede het lastige vraagstuk van de preventie aan de orde. Maar de kernvraag is toch wel wat er strafrechtelijk aan valt te doen.

Voor minister Hirsch Ballin van justitie is het antwoord niet zo moeilijk. Hij heeft wetsvoorstellen in voorbereiding om de bewijslast voor justitie aanmerkelijk te vereenvoudigen. Zo wordt gewerkt aan een afzonderlijke strafrechtelijke aansprakelijkheid voor zogeheten ""voorbereidingshandelingen' in het geval een ernstig voorgenomen delict door de politie wordt verijdeld. Daarnaast is het de bedoeling de bestaande bepalingen over een criminele vereniging, die het bij de Wolters Noordhoff zaak liet afweten, en openlijke geweldpleging uit te breiden tot een ware groepsaansprakelijkheid. Wie niet duidelijk en bewust afstand neemt van ""enig verenigd verband' is volledig mede-aansprakelijk voor wat de kameraden uithalen.

Dit is niet zomaar aanpassing van de wet maar ""een wezenlijke doorbraak' van de grenzen van het strafrecht, waarschuwt mr. J. de Hullu in de gedrukte versie van zijn oratie, eind januari als hoogleraar strafrecht aan de Katholieke Universiteit Brabant. Hij betwijfelt of de problemen zo ernstig zijn dat ze een inbreuk op de principes van het strafrecht rechtvaardigen. Nu gaat het natuurlijk niet alleen om Wolters Noordhoff: er is het nodige te doen geweest over het laten lopen - ook al in het Noorden - van een treinlading voetbalvandalen. En er zijn diverse voorbeelden van tijdig ""stukgemaakte' overvallen c.q. een onvoering waarin de politie weinig kon beginnen tegen de verdachten.

UITERST BEDENKELIJK

De kritiek is echter dat minister Hirsch Ballin naar het andere uiterste doorschiet. De voorgestelde groepsaansprakelijkheid gaat zo ver dat een voetbalsupporter die ziek is thuisgebleven toch kan worden gepakt voor de vernielingen die zijn kameraden hebben aangericht omdat hij immers niet vrijwillig is teruggetreden. Wat de voorbereidingshandelingen betreft, betreedt de strafwet het gebied van plannenmakerij en het is uiterst bedenkelijk mensen te veroordelen louter wegens - veronderstelde - voornemens of bedoelingen.

Nu is een dergelijke aansprakelijkheid enkele jaren geleden reeds ingevoerd voor drugsdelicten, maar de regering heeft toen verzekerd dat dit een hoge uitzondering was en beloofd dat het daarbij zou blijven. Dat schept verplichtingen. Minister Hirsch Ballin, die graag hamert op het belang van zorgvuldige en zuivere wetgeving, heeft trouwens stelling genomen tegen te vage en ingewikkelde normen en veelvuldige verandering van wetgeving. Laat hij zich daar dan zelf aan houden.

Nu is De Hullu naast hoogleraar ook een in strafzaken gespecialiseerde advocaat, de tegenpartij zogezegd. Men zou verwachten dat de krachtdadigheid van Hirsch Ballin op meer applaus kon rekenen tijdens het symposium in Leeuwarden, dat per slot van rekenening was belegd door het Openbaar Ministerie. Toch was ook vanuit deze hoek de boodschap beleefd doch onmiskenbaar afwijzend. De juridische problemen bij groepsgeweld zijn niet zozeer gelegen in de wet (een onwelgevallige delictsomschrijving) maar in de praktische bewijsvoering.

Een illustratie bij deze stelling vormt het geval van de supporters-trein. De politie had de groep vandalen aanvankelijk ongemoeid de aftocht laten blazen omdat ze in de trein het rijk alleen hadden gehad en er geen beginnen aan zou zijn om vast te stellen wat er precies was uitgehaald. Gestoken door de kritiek voerde de politie echter een inhaalslag uit en wist enkele maanden later wel degelijk enkele tientallen verdachten te achterhalen.

Groepsgeweld is ""vooral een operationeel probleem', verklaarde de Amsterdamse procureur-generaal Van Randwijck in Leeuwarden, ""of daarom ingrijpende wetswijzigingen helpen betwijfel ik'. Anderen spraken van ""gelegenheidswetgeving' en wezen op de vreemde situatie dat de twee voorstellen van Hirsch Ballin hetzelfde doel nastreven, zodat het er op lijkt dat de minister op twee paarden wedt. Als de een het niet haalt dan toch de ander wel. Een dergelijke stijl van wetgeving is alleen al ""op wetseconomische gronden' ongepast. Anderen zouden gewoon spreken van opportunisme. Welke minister van justitie heeft met zulke vrienden nog een vijand nodig?