"Op de frames na kun je alle gebruikte materialen weggooien'

PARIJS, 10 APRIL. “Hier, dit is hem.” Mecanicien Jan van Vliet klimt achter uit de met wielermateriaal volgepakte bestelwagen van sponsor Subaru en toont een voorvork met vering. Rock shox staat erop te lezen. Hij heeft er acht (gratis) gekregen van de Amerikaanse producent, één voor iedere renner van zijn ploeg morgen in Parijs-Roubaix. “Die yanks dwepen met dat ding, dat uit de motorsport is over komen waaien. Ze beweren dat het winnaar Gilbert Duclos-Lassalle vorig jaar heeft geholpen. Daar geloof ik niks van. Akkoord, Duclos had wel zo'n voorvork laten monteren, maar er geen gebruik van gemaakt. Hij schakelde de vering uit met een hendel. Na zijn succes ontkende hij dat uiteraard. "Prachtig spul', riep hij. Voor die reclame ving hij vast een sloot dollars.”

Van Vliet is niet gecharmeerd van de voorvork, die het schokken op de kasseien in de Hel van het Noorden zou beperken. Zijn renners al evenmin. De ervaren Van Vliet herinnert zich nog goed hoe Marc Madiot reageerde toen hij het attribuut had getest. De Franse routinier, eerste in Parijs-Roubaix van 1991, smeet het stuk ijzer meteen in de struiken. Van Vliet: “Deugt niet, riep Madiot vloekend, de fiets maakt rare sprongen. Je raakt alle controle kwijt.” Het spreekt voor zich dat de Amerikaanse vondst bij Van Vliet in de bestelbus blijft liggen. “Prima”, zegt hij, “scheelt me ook weer een hoop gesleutel. Ik heb mijn handen toch al vol deze dagen.”

Parijs-Roubaix vraagt het uiterste van de renners, ook de mecaniciens hebben het druk. “We maken veel overuren”, legt Louis van Roosbroeck uit. De Belg in dienst van de ploeg WordPerfect rekent voor dat hij en zijn drie collega's al een zee van tijd kwijt zijn met het aanbrengen van speciale banden op de rennersfietsen. “Een tube kost een kwartier en voor Parijs-Roubaix nemen we veertig wielen mee.” Voor de Franse koninginneklassieker gebruiken de coureurs banden die twee à drie millimeter breder zijn dan normaal. Van Roosbroeck voegt er aan toe dat ook de druk anders is. “Gewoonlijk kiezen we voor 7,5 atmosfeer, bij deze dikkere (zachtere) tubes gaan we niet verder dan 5,5.”

Net als Van Vliet begint Van Roosbroeck morgenvroeg naar eigen schatting aan zijn twintigste Parijs-Roubaix. “Er is het een en ander veranderd”, zeggen ze in koor, maar het gaat niet om heel spectaculaire dingen. Het stuurlint is dikker dan vroeger. Soms wikkelen ze zelfs twee linten over elkaar. Of ze brengen spons aan - om de pijn van de onvermijdelijke dreunen te beperken. Om dezelfde reden monteren ze vorken die anderhalf tot twee centimeter verder naar voren staan dan gebruikelijk. Van Roosbroeck: “Niet alle renners willen dat. Eric Vanderaerden, bijvoorbeeld, ziet die verandering niet zitten. Tja, een kwestie van vertrouwen. De renners beslissen, zij zijn de baas.”

Het aantal deelnemers aan Parijs-Roubaix is beperkt. Sommige (Spaanse en Italiaanse) ploegen meldden zich simpelweg af, omdat ze zich bij voorbaat kansloos achtten. Waarom zouden ze dan veel geld verspillen aan man-uren van personeel en aan onderdelen? En er gaan heel wat prachtige spullen kapot in de jaarlijkse helletocht. Van Vliet zegt dat hij “zowat al de gebruikte materialen kan weggooien, op de frames na. Het is heel riskant dat niet te doen. Bewaar je die dingen, dan stuur je de coureurs in een volgende race weg op fietsen met verborgen gebreken. Daar kun je vreselijk veel spijt van krijgen.” Hoeveel Parijs-Roubaix door zijn verschrikkelijke finale extra kost, durft niemand precies te zeggen. Maar het gaat per team om vele duizenden guldens. “Een band kost al gauw honderd gulden”, weet Van Roosbroeck, “een paar velgen het tienvoudige. Nou, reken maar uit: een keer of zes rijdt een ploeg zeker plat. Het hangt natuurlijk ook van het weer af. Regen betekent dat we meer centen kwijt zijn en dat we meer werk hebben.”

De mecaniciens rijden in Parijs-Roubaix in de volgauto's, gespannen wachtend op berichten van de Tourradio over eventuele pechvogels. In het verleden zaten ze zich dikwijls te verbijten, omdat ze de betrokken renner op de smalle wegen veel te laat van dienst konden zijn. “De komst van de mannen van Mavic heeft ons leven in deze koers een stuk aangenamer gemaakt”, legt Van Roosbroeck uit. Hij doelt op de niet-ploeggebonden, in het wielerjargon neutrale, fietsenmakers achter op de motoren, die met vier wielen in hun handen veel dichter in de buurt van de renners komen en meteen hulp kunnen verlenen. “De coureurs krijgen het steeds beter”, vervolgt hij. Als kind, weet hij nog, heeft hij nog gezien hoe de fietsende helden alles alleen moesten doen. Hoe ze, met één reserveband om de schouders en één achter het zadel, verplicht waren zelf de reparaties te verrichten.

Dat was in de tijd dat de renners nog op houten wielen reden. Nog niet zo lang geleden hebben ze dat weer geprobeerd in Parijs-Roubaix. Het experiment mislukte, net als zo vele andere. Roger de Vlaeminck, Monsieur Parijs-Roubaix omdat hij vier keer triomfeerde, verscheen in het begin van de jaren tachtig aan de start met in zijn banden een vloeistof, die een lek meteen stopte. De Vlaeminck moet daar nu om lachen. “Ik deed dat om aandacht te trekken, maar vooral omdat het goed geld opleverde van de producent”, grijnst hij.

“Dat natte spul”, vervolgt De Vlaeminck, “werkte, maar was irritant, het vloog door de tube als een rochel door je mond. Die nieuwe dingen, nee, niks voor mij. Onze co-sponsor Bianchi - De Vlaeminck is pr-man en trainer van de ploeg GB-MG, red. - heeft net een bijzonder race-rijwiel klaar. Eentje met drie buizen. De buis waar het zadel op steunt veert. Er zijn deze week tests mee gedaan met het oog op Parijs-Roubaix. Ik zie geen voordelen, tenminste niet voor een professionele koers. Er kleven wel gevaren aan. Het systeem kan leiden tot zwalkende fietsen, ook op de vlakke weg, met als gevolg onverwachte verplaatsingen van de rennerslichamen. En het kan gevallen van kramp opleveren. Laat ze die grappen maar voor Amerika bewaren.”