Japan is niet onoverwinnelijk

Tim Jackson; De reizende zon, de rol van de Japanse economie in Europa; Uitg. H.J.W. Becht, Haarlem; ISBN: 90 230 0785 9; Prijs 39,90 gulden

Wat heeft een aarbeving in Tokio te maken met de economische situatie in de Verenigde Staten? Simpel, verklaarde onlangs Michael Lewis, ex-bankier op Wall Street: de activiteiten van Japanse financiële instellingen in de VS zijn zo wijdverbreid dat Japanse verzekeringsmaatschappijen in geval van een aardbeving hun obligatiebezit van de Amerikaanse regering zouden verkopen om uit de opbrengst schadeclaims te kunnen betalen. Daardoor zou de prijs van Amerikaanse staatsobligaties zakken en de rentestand omhoog moeten. Gevolg: diepe recessie in Amerika.

Lewis' voorbeeld mag wat overdreven overkomen, het toont aan hoe diep het Japanse bedrijfsleven zich heeft geworteld in de Amerikaanse maatschappij. De grootste banken van Californië zijn in Japanse handen, Japanners financieren prestigieuze hotels in goklustig Nevada en dure vakantieoorden op Hawaii en in alle grote effectenhuizen op Wall Street lopen Japanners rond.

Ook in Europa rukken ze op. Erfgoed als het oer-Franse en noodlijdende Château Lagrange bij Bordeaux, het pand van de Financial Times in Londen en enkele impressionistische meesterwerken gingen over op Japanse eigenaars.

Het Westen zag de Japanse expansie aanvankelijk met lede ogen aan. Medio jaren '80 werden de Japanse handelscijfers echter zo bedreigend dat de belangrijkste handelspartners bij de Japanse regering aandrongen op revaluatie van de goedkope yen (Plaza-akkoord 1985). Het Westen had niet door dat het zichzelf met deze actie in de vingers sneed. In drie jaar tijd namelijk steeg de waarde van de yen ten opzichte van de dollar met 80 procent, wat een zware tegenslag betekende voor de Japanse exporteurs. De regering in Tokio zag zich dan ook genoodzaakt het bedrijfsleven tegemoet te komen. Door middel van lage rente stimuleerde zij bedrijven tot nieuwe investeringen om de concurrentiepositie te verbeteren.

Het Plaza-akkoord had twee onverwachte gevolgen. Binnen Japan leidde de lage rente tot enorme speculatie in aandelen en onroerend goed. De bubble-economie was geboren. De grondprijzen in Japans grote steden en het Nikkei-gemiddelde rezen de pan uit. Het zeepbel-geld werd belegd in Westerse hotelketens, golfbanen en andere begerenswaardige zaken. Ryoei Saito, leider van een groot papierconcern, haalde zich de woede van de internationale kunstwereld op de hals door voor 315 miljoen gulden een Van Gogh en een Renoir te kopen en te verklaren dat hij na zijn dood met deze schilderijen wilde worden begraven.

De dure yen had nog meer onvoorziene effecten, schrijft Tim Jackson in zijn boek De reizende zon, de rol van de Japanse economie in Europa. Om met een duurdere munt dezelfde winst te behalen, besloten veel Japanse bedrijven hun investeringen in het buitenland op te voeren. Het elektronicaconcern Sony bij voorbeeld verhoogde de buitenlandse produktie van 20 naar 40 procent van het totaal. Momenteel heeft het bedrijf tien fabrieken in de EG. De investeringen overzee brachten drie voordelen met zich mee: de bedrijven zaten dichter bij hun klanten in de VS en Europa, de produktie was er goedkoper en de Japanners vermeden handelsfricties met de VS en Europa omdat ze niet importeerden maar ter plekke produceerden.

De Japanse expansiedrift is indrukwekkend. Telde Europa in 1984 twintig filialen van Japanse ondernemingen, in 1991 waren dat er 676. Het handelsoverschot met Europa liep op van bijna 13 miljard dollar in 1990 tot 27 miljard in 1991. Vooral Groot-Brittannië is in trek bij de Japanners. Ruim een derde van alle Japanse bedrijven in Europa is er neergestreken, hetgeen Peugeot-topman Jacques Calvet ertoe bracht Groot-Brittannië het "Japanse vliegdekschip voor de kust van Europa' te noemen. De Franse kift laat de Britten koud. Dank zij Nissan hebben ze de meest efficiënte autofabriek in heel Europa, waar de arbeiders jaarlijks bijna tweemaal zoveel auto's afleveren als hun collega's in Britse fabrieken. Als dank kreeg Nissan-directeur Takashi Ishihara een lintje van premier Thatcher.

De Japanse activiteiten in Europa zijn ook een bron van zorg voor de Amerikanen. Het bedrijfsleven in de VS is in deze tijd van recessie sterker dan ooit afhankelijk van de winsten in Europa. Raken de Amerikanen Europa kwijt aan de Japanners, dan verzwakt ook de positie op de eigen markt - wat nieuwe mogelijkheden biedt voor Japan, meent Jackson.

Op terreinen als consumentenelektronica- en autofabricage vormen Japanse ondernemingen een reële bedreiging voor bedrijven in de VS en Europa. De Amerikaanse consumentenelektronica is vrijwel weggevaagd door de Japanse concurrenten, de toekomst van Philips, Thompson, Siemens en Bosch ziet er weinig rooskleurig uit. Toch moet de kracht van Japan niet worden overschat, meent Jackson, oud-correspondent voor de Economist in Tokio. Japan mag flink tekeer gaan in Groot-Brittannië, in werkelijkheid komt slechts 4 procent van de buitenlandse investeringen uit Japan (26 procent uit Europa, 47 procent uit de VS). In eigen land zijn de Japanners vaak ronduit ineffeciënt bezig, volgens Jackson. Er is veel overtollig personeel, de landbouw is kleinschalig.

Eigenlijk ligt de kracht van Japan in het feit dat het een paar dingen heel erg goed doet, schrijft Jackson. Auto's, computers en consumentenelektronica zijn de industriële stokpaardjes, de bedrijven in die branches zijn kostenbewust, men werkt met weinig voorraden, het onderwijs levert goed opgeleide en gedisciplineerde werknemers-in-spe af en door de zeer nauwe samenwerkingsverbanden binnen conglomeraten steunen bedrijven elkaar in moeilijke tijden. Bovendien heeft het MITI, het ministerie voor internationale handel en industrie een stevige vinger in de pap. De slappe stemming op de beurs van Tokio werd eens "opgelost' nadat het MITI een aantal vertegenwoordigers van effectenhuizen vriendelijk doch dringend had verzocht langs te komen om onder het genot van een kopje groene thee even bij te praten.

Jacksons boek is helder en goed vertaald, maar heeft als nadeel dat het snel veroudert. De stagnerende groei van Japans economie, de recente val van de Nikkei en de teruglopende investeringen in het buitenland komen niet aan de orde.

Dat neemt niet weg dat de vraag die zich opdringt na lezing van Jacksons boek - is de Europese en de Amerikaanse industrie nog te redden? - nog heel actueel is. De auteur is optimistisch. De Japanners zijn niet onoverwinnelijk, meent hij. Daarvoor zijn ze niet efficiënt genoeg, te conservatief en te gericht op expansie. Bovendien vertonen de Europese en Amerikaanse industrie in reactie op het Japanse succes tekenen van nieuwe flexibiliteit. Zo is in Groot-Brittannië een campagne opgezet om het bedrijfsleven te interesseren voor Japan en de export naar dat land te vergroten.

Dergelijke positieve aandacht voor Japan is het enige juiste antwoord, volgens Jackson, die zijn boek besluit met de conclusie dat het Westen moet "japaniseren' of de tent beter kan sluiten. Gezien het feit dat de verhouding tussen de Japanse investeringen in het buitenland en de buitenlandse investeringen in Japan 15:1 is, heeft het Westen voorlopig nog wat te doen.