Het Zondagsgevoel in de economie (1)

Nederland staat voor de zoveelste bezuinigingsronde. En voor de zoveelste keer valt te verwachten dat het heel wat onsjes minder mag worden dan volgens de aanzeggers van het slechte nieuws nodig is. Dat is beter voor de werkgelegenheid. Een strenge analyse plus een soepele therapie, nog steeds de ideale beleidsmix in dit land. Lekker zondig voor het goede doel.

Niemand kijkt er van op, noch van de noodzaak weer miljarden te snoeien, noch van het gemak waarmee iedere keer ontheffing wordt verleend. Het blijft in al zijn voorspelbaarheid een bizar scenario met sado-masochistische trekjes. Moeten we eerst lijden? Hebben al die vorige bezuinigingen niet geholpen? Of zijn ze nooit uitgevoerd? Waren er steeds weer tegenvallende tegenvallers?

Meer vragen dan antwoorden schieten te binnen. Je moet je bij het volgen van de "sociaal-economische' discussie in Nederland vaak in de arm knijpen om vast te stellen of je wakker bent. Alles ziet er zonnig en tevreden uit. Bedelaars houden zich aan een onzichtbare instructie alleen bij de grote stations te bedelen. De Paasdagen beginnen op woensdag. En die begrotingstekorten zie je ook nooit van dichtbij.

Misschien is er wel niets aan de hand. Vooral als de voormannen van de overlegeconomie, zoals ons stelsel van besluitvorming door betrokkenen met enige zelfvertroeteling wordt genoemd, zeggen dat het best met wat minder bezuinigingen kan. Mits we met z'n allen de broekriem weer eens aanhalen door - verrassing, verrassing - uiterste loonmatiging.

We zijn weer thuis, de bonden van werkgevers en werknemers, het kabinet en zelfs de libero van het sociaal-economische leven, Planbureau-directeur Zalm, hebben een oproep tot loonsolidariteit gedaan. In de binnenlandse verhoudingen functioneert die als een bekendmaking. De hoofdrolspelers zijn van oudsher onze bestuurders èn vertegenwoordigers in bijeenzittingen die steevast worden aangeduid als onderhandelingen. De uitkomst wordt al lang niet meer op straat of voor de fabriekspoort bevochten.

Dit beroep op de inschikkelijkheid van de werkenden wordt jaar in jaar uit gedaan. Zonder al te veel vragen achteraf. Wie mee wil blijven doen gaat niet tegen deze brede consensus in. Streven naar harmonie, bereidheid tot matiging en offerbereidheid zijn hoofdbestanddelen van het Zondagsgevoel in de Nederlandse economie. Sommige waarden stel je niet ter discussie, ook al respecteer je ze niet meer.

In het economenblad ESB van deze week roeit hoofdredacteur L. van der Geest tegen de stroom in door er op te wijzen dat loonmatiging geen wondermiddel is. Zolang de kwaliteit van de Nederlandse export niet verbetert, helpt het niet van dit land nog meer een lage lonenland te maken dan het al is ten opzichte van Duitsland, België en Frankrijk. Dat kan er toe leiden dat hier op den duur geen hoogwaardige arbeid meer is te krijgen. Een ander gevaar is dat tussen een relatief hoog minimumloon en de lage lonen-na-aftrek-van-alle-premies-en -belasting nauwelijks ruimte overblijft om grotere arbeidsproduktiviteit te belonen. (Harder) werken loont bijna niet zolang iedere werkende een niet-werkende meezeult.

Het is allemaal eerder gezegd en erkend. Zonder al te veel effect. De Rotterdamse econoom en columnist van deze krant E.J. Bomhoff ontpopt zich misschien daarom als een steeds fellere criticus van de klassieke overlegeconomie èn het schier eeuwige beroep op collectieve loonmatiging dat daarin wordt gedaan.

In De Staatscourant van 1 april wijst Bomhoff op onderzoek dat heeft aangetoond dat beleid gericht op loonmatiging in het verleden zelden of nooit heeft geleid tot loonmatiging. “Natuurlijk is het gunstig voor de werkgelegenheid wanneer onze lonen wat minder stijgen dan in Duitsland. Dat betwist niemand. Lage loonkosten zijn voordelig, maar de loonstijging hangt af van economische factoren, niet van vergaderingen in Den Haag. De sociale partners luisteren beleefd naar de ministers, maar beslissen daarna in de bedrijven naar eigen inzicht. Het Haagse spel over de loonruimte is een gevaarlijke schijnvertoning.”

Het geldende systeem van de algemeen verbindend-verklaring van cao's omschrijft Bomhoff als een ordinaire kartel-praktijk. “Kartels maken het leven duur en de economie star. Wat u en ik extra betalen vanwege de kunstmatig hoge prijzen van het kartel, kunnen wij minder besteden aan andere zaken, en dat kost dus werkgelegenheid voor de economie als geheel.” Dat kost nieuwkomers op de arbeidsmarkt (buitenlanders, herintreders, schoolverlaters) hun kans.

Juist de laatste tijd is in het officiële overlegcircuit (kabinet, Sociaal Economische Raad, VNO, NCW, FNV, enzovoort) heel wat afgepraat over onze economische ordening via het overleg- annex harmoniemodel. De aanzwellende kritiek daarop werd eerst met enige verbazing aangehoord, maar gaandeweg met milde, doch strenge beslistheid van de hand gewezen. Stroperigheid, zeker, tot uw dienst, maar zonder - eventueel gemoderniseerde - overlegeconomie verliest Nederland een uniek samenbindend netwerk waar het buitenland jaloers naar komt kijken.

De taaiheid van het harmonieweefsel werd net gedemonstreerd door de Raad van Centrale Ondernemingsorganisaties (RCO), waarin de werkgevers samenwerken. Hij heeft kritiek op het recente rapport van een Kamercommissie-De Jong, die de bezem haalt door de adviesraden die een grote rol spelen in de besluitvorming in dit land. Een nieuwe impuls aan de discussie mag van de RCO, maar “met de twee belangrijkste aanbevelingen zit het rapport er naast”. Wat willen De Jong c.s. namelijk: 1. een strikte scheiding tussen advies en overleg en 2. advies door onafhankelijke adviseurs en overleg met maatschappelijke organisaties.

Die aanbevelingen “houden een verzwakking in van de overlegeconomie en kwaliteitsverlies van het politieke proces”, zegt de RCO. De werkgevers vinden het, net als alle andere vertegenwoordigers van deelbelangen maar al te prettig mee in de pot te roeren. Opdat de eigenlijke politiek weet wat haar te doen staat. Het is in al zijn eenvoud een onthullende erkenning van de verwatering van de politieke democratie.

Woensdag 6 november 1992 vatte de Staatscourant een toespraak van minister De Vries (sociale zaken) samen onder de kop "Herziening overlegstelsel sociale partners niet nodig'. Daar naast stond het bericht "Bedrijven verplicht tot terugname oude smeerolie'. Dat was een vrolijke tegenstelling in een blad dat geen commentaren schrijft.