Een naoorlogs vervolg op Potasch & Perlemoer

Potasch & Perlemoer, één grote tragedie. De Engelenbak, Amsterdam, 15 t/m 24 april.

Voor het eerst na vier jaar, in augustus 1945, staan Abraham Potasch en Maurits Perlemoer weer tegenover elkaar.

Potasch zat in Dachau, terwijl Perlemoer was ondergedoken bij een Friese boer waar hij in het varkenskot sliep en toch dankbaar moest zijn. Hun handelsonderneming aan de Haarlemmerdijk in Amsterdam blijkt intussen in handen te zijn van een niet-joodse overbuurman, die er niet meer op had gerekend dat uitgerekend deze twee joden terug zouden komen. Ach nee, denkt hij, ze zullen het wel niet hebben overleefd: “Voor die mensen zou dat ook niks zijn. De wereld is zo veranderd. Het is ook een vorm van genade.” En intussen heeft hij zich te goed gedaan aan de vooroorlogse sigaren die in het kantoortje waren achtergebleven.

“Potasch en Perlemoer zijn twee figuren over wie ik wel eens een vervolg wilde zien”, zegt Dick van den Heuvel, huisauteur van de vooraanstaande amateurtoneelgroep Toetssteen en schrijver van het toneelstuk Potasch & Perlemoer, één grote tragedie, dat vanaf 15 april wordt gespeeld in theater De Engelenbak in Amsterdam. “We kennen ze alleen maar van vóór de oorlog. Ik wilde wel eens weten hoe het hen zou vergaan als ze direct na de oorlog zouden terugkeren in een stad die de teruggekomen joden, zacht gezegd, niet allemaal met open armen heeft ontvangen.”

Oorspronkelijk heetten ze Abe Potasch en Mawruss Perlmutter, twee luidruchtige compagnons in de handel met een uitgebreide voorraad talmoedische wijsheden en een uiterst kleurrijk taalgebruik, wier verwikkelingen vaak met kibbelarijen gepaard gingen. Als employé op een advocatenkantoor in New York, waar de cliëntèle vooral bestond uit joodse makelaars en textielkooplieden, had Montague Glass zulke mannen goed leren kennen. Hij schreef een lange reeks korte verhalen over het tweetal en zag daarvan in 1910 op Broadway de eerste theaterbewerking. Toen hij in 1934 stierf had Glass tientallen verhalen, blijspelen en radio-scripts over Potasch & Perlmutter geschreven.

De eerste Nederlandse opvoering van Potasch & Perlemoer dateert van 1915. “Joodsche humor en Joodsche gemoedelijke ruzie, gegeven in overdreven Joodsche levendigheid - wat kan er grappiger zijn, en het regende dan ook applausjes bij open doek”, berichtte de Telegraaf destijds. De hoofdrollen werden, blijkens de kritieken met ferm aangezet jiddisch accent, gespeeld door de legendarische Cor Ruys en Cor van der Lugt Melsert, die er niettemin jarenlang eer mee inlegden. Het verhaal gaat dat de niet-joodse Ruys ooit op het Rembrandtplein werd aangesproken door een joodse confectionnair met de woorden: “Meneer Ruys, excuseer me, maar ik móet u even m'n compliment maken. Ik heb eergisteravond uw voorstelling gezien en ik heb de hele avond het gevoel gehad of ik bij mij op de zaak zat!”

Steeds als Ruys de financiële vooruitzichten van zijn ongesubsidieerde gezelschap in gevaar zag komen haalde hij Potasch & Perlemoer weer uit de kast. Honderden keren moet hij de rol hebben gespeeld, jaar in jaar uit. En hetzelfde overkwam, na de oorlog, de blijspelacteur Johan Kaart, die er in 1951 mee begon - met Johan Boskamp als Ebi Potasch - en er twintig jaar lang de kas mee spekte. Van het oorspronkelijke script was inmiddels weinig meer over. Kaart liet maar liefst drie nieuwe stukken over het tweetal schrijven en de heren hadden er bovendien een handje van hun eigen grappen in te voegen. Ze speelden alles bij elkaar 3982 voorstellingen.

De laatste keer dat de compagnons, nu in de gedaantes van Lex Goudsmit en Hans Boskamp, op het toneel verschenen, was in 1979 bij het Amsterdams Volkstoneel van Beppie Nooy. Met duizend twijfels zette Eli Asser zich aan de schrijfarbeid, want eigenlijk vond hij het niet passend Potasch & Perlemoer weg te halen uit het vooroorlogse New York waar ze door Montague Glass waren gesitueerd - terwijl Beppie Nooy een nostalgische terugblik verlangde op de Amsterdamse jodenbuurt in de jaren twintig. De gedachte om een na-oorlogse versie te schrijven, kwam bij geen der betrokkenen op. “Wat ik deed, vond ik al tegen de grens”, zegt Asser nu. “Aangezien ik zelf jood ben, ken ik mijn grenzen. Maar diep in mijn hart heb ik er eigenlijk nog steeds spijt van dat ik me toen zomaar de figuren van Potasch & Perlemoer heb toegeëigend.”

Met hoorbaar afgrijzen neemt hij kennis van het feit dat een veel jongere auteur de handeling nu heeft overgeplaatst naar de zomer van 1945: “Ik vind dat dat niet kan. Het zijn twee fictieve figuren, gecreëerd door een joodse advocaat uit Amerika - en daar horen ze thuis. Niet in Amsterdam en laat staan na de oorlog, dat kàn helemaal niet. De naam Potasch komt niet eens voor in Amsterdam. En ik vind bovendien dat de oorlog een veel te grote tragedie is om daar in het kader van Potasch & Perlemoer iets mee te doen. Al is 't nog zo liefdevol en zo goed mogelijk geschreven, dan nòg ben ik er gloeiend tegen.”

Dick van den Heuvel reageert laconiek op het protest van de door hem bewonderde Asser: “Hij heeft, vanuit zijn visie, volkomen gelijk. Maar iedereen heeft recht op zijn eigen integriteit en ik trek me absoluut niets van zijn bezwaren aan. Ik vind die twee figuren juist uiterst geschikt om iets duidelijk te maken over de manier waarop de teruggekeerde joden in Amsterdam zijn behandeld.”

Hij schreef een komedie, waarin veel van die naoorlogse chaos is verwerkt: de buurman die meent recht te kunnen doen gelden op de door Potasch & Perlemoer achtergelaten negotie, christelijke echtelieden die geen afstand kunnen doen van de joodse kinderen die bij hen ondergedoken waren, de vraag of alle joden naar de nieuwe joodse staat moeten emigreren, en de Hollandse bureaucratie die geen raad wist met de dakloze overlevenden. Er verschijnt een deurwaarder met een uitzettingsbevel, omdat het pand volgens gegevens van de Kamer van Koophandel sinds 1941 geen bedrijf meer heeft gehuisvest. “Ja, d'r was even iets tussengekomen”, zegt Perlemoer. “Misschien heeft u het gemerkt?”