EEN LICHTE TOETS

Oorlog lost nooit iets op. Opstellen over Europese geschiedenis door H. L. Wesseling 345 blz., Bert Bakker 1993, f 45,- ISBN 90 351 1205 9

Nog niet zo lang geleden verscheen onder de titel Oorlog lost nooit iets op de derde verzamelbundel met opstellen van de Leidse hoogleraar in de Algemene Geschiedenis (na 1870) en directeur van het Instituut voor de Geschiedenis van de Europese Expansie H. L. Wesseling. Na het succesvolle Vele ideeën over Frankrijk (1987) en Indië verloren, rampspoed geboren (1988), die beide over één onderwerp, te weten Frankrijk en koloniale geschiedenis, handelden, is deze nieuwe bundel heterogener van opzet. Bijeengebracht zijn voordrachten, recensies, colleges en bespiegelingen over uiteenlopende zaken - van het wisselend beeld der Tachtigjarige Oorlog tot de positie van de hedendaagse universiteit - alsmede een bewerking van de oratie uit 1974 over de betekenis van het jaar 1870 in de contemporaine geschiedschrijving. Hoewel een enkel stuk hier voor de derde keer het licht ziet, en misschien niet iedere recensie eenzelfde claim op eeuwigheid kan waarmaken, biedt deze collectie voor de liefhebber van Wesselings proza en zijn typische benadering van het verleden ruim voldoende leesgenot.

Ik ben zo'n liefhebber. Des te meer nadat ik in het voorjaar van 1988 in Hollands Maandblad onderwerp mocht zijn van een van de aardigste stukken uit Wesselings carrière. Met een in de Nederlandse historische wereld zeldzame overgave hakte hij destijds in op een bundel opstellen van mijn hand. Het was - zoals men van hem gewend is - een goed geschreven stuk waarin kennis van zaken, helderheid, ironie, spot en enige ijdelheid de voornaamste ingrediënten waren. Dat later bleek dat hij een groep studenten aan het werk had gezet om de fouten en foutjes op te zoeken in het betreffende boek, doet daar niets aan af.

Hendrik Lodewijk Wesseling is nu vijfenvijftig jaar en als historicus geniet hij aanzien en bekendheid bij een groot publiek. Overigens heeft hij zich nooit verscholen in het academische labyrint. Met regelmaat en graagte neemt hij deel aan het publieke debat, al of niet voor het forum van zijn friends in high places, waar hij niet tegen zijn zin vertoeft. Daarbij laat hij zijn licht schijnen over kwesties die te maken hebben met zijn specialismen, de moderne geschiedenis van Frankrijk en de Europese Expansie in de 19de en 20ste eeuw, maar ook over zaken buiten het geschiedkundig domein. Interviews, rondetafelgesprekken en columns schuwt de Leidse hoogleraar niet, en steevast weet hij wel met een trefzeker bon mot zorg te dragen voor de genietbaarheid daarvan. Dat hij zo nu en dan geheel uit eigener beweging journalisten van bijvoorbeeld de Haagse Post uitnodigt om zijn woorden op te tekenen, doet daar niets aan af.

Na zijn promotie (cum laude) in 1969 (op Soldaat en krijger. Franse opvattingen over leger en oorlog, 1905-1914) en zijn benoeming in 1973 tot opvolger van professor B. W. Schaper, volgde voor Wesseling anderhalf decennium waarin, naast regelmatige bijdragen aan Tijdschrift voor Geschiedenis, Spieghel Historiael, Hollands Maandblad en NRC Handelsblad, vooral de uitbouw van zijn Instituut voor de Geschiedenis van de Europese Expansie (dat toen nog anders heette) centraal stond. In deze tijd was hij samensteller van enige wetenschappelijke bundels die voortsproten uit deze instelling, maar al met al is het een gelukkige ontwikkeling dat hij nadien nog nadrukkelijker het algemene publiek heeft gezocht. Naast de verzamelde opstellen, resulteerde dat ook in het alleszins leesbare magnum opus Verdeel en heers. De deling van Afrika, 1880-1914 uit 1991.

Leesbaarheid is ook de in het oog springende eigenschap van Oorlog lost nooit iets op. Daarmee rijst deze bundel als vanzelf uit boven het degelijke maar ploeterende proza waarmee zijn collega-historici doorgaans naar buiten treden. Het is zoals professor E. H. Kossmann eens schreef over een andere bundel van zijn Leidse collega: ""Het boek dankt zijn eenheid aan de stijl. Wesseling heeft namelijk een stijl.'' Die is soepel, verleidelijk en met een lichte toets. Regelmatig zijn er formuleringen die men zelf graag verzonnen zou hebben (""de toekomst is de voortzetting van het verleden, maar met andere middelen''; ""de universiteiten staan in een ongunstig daglicht - en zij weten het''). Dat bij doorlezing van deze bundel blijkt dat vaak dezelfde stijlgrepen zijn toegepast (enigszins archaïsch woordgebruik, al of niet retorische vragen als rustpunten, opzettelijke vereenvoudiging, licht verbaasde en raillerende toon) doet daar niets aan af.

Belangrijker is dat Wesseling zo aardig schrijft dat de stijl af en toe de argumentatie dreigt te overwoekeren. Zo biedt het stuk "De oude universiteit en de nieuwe' (dat eerder verscheen in Hollands Maandblad) een ongemeen helder geformuleerd overzicht van de groei- en krimpstuipen die het Nederlands wetenschappelijk onderwijs teisteren, alsmede een vergelijking met de oplossingen die men elders in Europa en in de Verenigde Staten voor gelijksoortige problemen heeft gevonden.

Wanneer men echter als conclusie mag lezen: ""De nieuwe universiteit die zich aftekent, zal een heel andere zijn dan de oude die we gewend waren'', voelt men allicht een soort teleurstelling. Als overzicht van de universitaire problemen (het fnuikende principe van financiering gerelateerd aan studentenaantallen, geen selectie en toelatingseisen) is dit opstel aanbevolen kost voor het ministerie van Onderwijs & Wetenschappen, maar de aangereikte oplossingen (""verhoogd, zo niet kostendekkend collegegeld, goedkope financiering van de eerste fase, scheiding van onderwijs en onderzoek, sterkere werking van het profijtbeginsel'' alsmede sterkere onderlinge competitie tussen de instellingen) zijn eerder gehoord. Daarmee zijn Wesselings aanbevelingen niet onjuist - integendeel - maar het gemak waarmee ze naar voren worden gebracht doet enigszins onrecht aan de zeer ingewikkelde en ondoorzichtige wurggreep waarin de overheid en de universiteiten elkaar (en zichzelf) houden.

Een ander voorbeeld waar Wesselings vlotte pen hem naar een zeer onderhoudende doch makkelijke uitweg voert, is het hilarische stuk "Liberalisme en cultuur', dat ook al in Hollands Maandblad verscheen, maar proeft naar een voordracht. Hier komt de Leidse hoogleraar met behulp van vermakelijke reducties tot stellingen als ""liberalisme en cultuur staan met elkaar op gespannen voet'', en ""Volmaakte vrijheid is onverenigbaar met beschaving'' (Albert Einstein). Al te waar - zo waar, dat er ongetwijfeld ook een mooi stuk over het omgekeerde te schrijven zou zijn.

Dat Wesseling zo af en toe wat toegeeft aan effectbejag zij hem natuurlijk vergeven: leesbaarheid gaat voor alles, immers. Daarom hoeft het geen verbazing te wekken dat hij bij het éne stuk ("Vele ideeën over de Franse revolutie') schrijft dat hij tot degenen behoort ""die het bloed nog altijd iets sneller voelen stromen bij het horen van die drie onvergankelijke Franse woorden: Liberté, Egalité, Fraternité''. Terwijl het elders (in het reeds genoemde "Liberalisme en cultuur') heet dat ""wij om die broederschap een beetje moeten giechelen'' en ""bij de gelijkheid zenuwachtig en achterdochtig op onze stoel schuiven''.

De opstellen die mij het best bevielen in Oorlog lost nooit iets op zijn degene waarin de welsprekendheid wat gedempter is en het historisch betoog de overhand heeft. "1870 In de geschiedschrijving', een bewerking van Wesselings oratie, is een tot nadenken stemmend essay over het karakter van de contemporaine geschiedenis in het algemeen en de betekenis van de Duitse eenwording en de Frans-Duitse Oorlog uit genoemd jaar in het bijzonder. "De betekenis van 1914', een college voor de Leidse Vakgroep Geschiedenis dat eerder in Tijdschrift voor Geschiedenis verscheen, is zonder twijfel een van de fraaiste stukken over ontstaan en consequenties van de Eerste Wereldoorlog die ik ken.

Ook het opstel over het cultuurhistorisch concept fin de siècle, "Tweemaal op weg naar het einde' is trefzeker. Met veel scherpzinnigheid vergelijkt Wesseling de visie op het negentiende eeuwse fin de siècle van Engelse, Duitse en Franse tijdgenoten, en stelt vervolgens de vraag of hun diagnose inzake de ondergang van de westerse wereld juist was. Dat blijkt niet het geval. In werkelijkheid heerste er tussen 1890 en 1900 in Europa een zonderling mengsel van pessimisme en optimisme, van doemdenken en vooruitgangsgeloof. Het is een genuanceerd opstel waarin ook enkele zinnige dingen staan over ons eigen huidige fin de siècle. Dat wij een enkele passage tegenkwamen die onlangs nog letterlijk haar weg vond naar Wesselings column in deze krant, doet daar niets aan af.