"Die jongeren zijn soms zo lauw'; Tutuhatunewa, nieuwe president van de Republiek der Zuid-Molukken

ROTTERDAM, 10 APRIL. Het zijn drukke dagen voor drs. F.J.L. (Frans) Tutuhatunewa. Hij heeft een reeks speeches geschreven. De telefoon rinkelt vaker dan ooit. En hij moest van zijn vrouw het huis aan kant maken: een president kan toch niet in een rommeltje wonen. “Ze heeft het met zoveel woorden niet gezegd, maar dat zit er wel achter.” Vandaag, met een kleine plechtigheid in de Molukse Kerk in Assen, is hij ingehuldigd als president van de Republik Maluku Selatan (RMS), de republiek der Zuid-Molukken in ballingschap. De derde, na de in 1966 geëxecuteerde C. Soumokil en ir. J.A. Manusama die tot nog toe heeft gewaakt over de Molukkers die in Nederland wonen.

Hij is “erin gerold”, zo luidt de bescheiden verklaring van de gepensionneerde arts voor zijn nieuwe status. Sinds 1980 is hij vice-president van de RMS geweest, door Manusama aangewezen als opvolger. Zijn uitverkiezing dit jaar verliep zonder problemen - er waren geen andere kandidaten.

Hij is zich wel bewust van zijn waardigheid (“Dit is geen baantje, maar een ambt”) maar spreidt daarbij een houding ten toon van "wie-ben-ik-dat-ik-dit-doen-mag'. Bij zijn benoeming tot vice-president zei hij al het liefst dokter te willen blijven. “Ik heb mijn ambt niet gezocht, het is me overkomen. Ze hebben me gevraagd, dus ik doe het. Maar niet alleen. We moeten er met z'n allen de schouders onder zetten. Pas op als jullie me in de steek laten, heb ik gezegd.”

De tachtigjarige Manusama opgevolgd door een bijna zeventigjarige, is dat typerend voor de vitaliteit van het RMS-ideaal?

“Nee, het ideaal van de vrije Molukken leeft wel degelijk ook onder de jongeren. Alleen toegedekt. Ze moeten hier hard werken en daarbij willen we ze niet te veel voor de voeten lopen. Hun aandacht gaat uit naar hun gezin en dat is goed. Het gezin is de peiler van de samenleving.

“Zo'n ideaal verdwijnt niet. Zeker niet als wij ouderen de verhalen blijven vertellen aan de jongeren. Ik zie het aan mijn eigen kinderen. Dat zijn nog echte RMS'ers. Mijn dochter heeft op Java eens ruzie gekregen met een vrouw die volhield dat Molukkers Indonesiërs waren. Ik voel me trots als ze dat vertelt.”

De generatie Molukkers die het eiland in 1951 heeft moeten verlaten onder druk van de Indonesië militaire macht moet de fakkel overgeven aan volgende generaties, die het eiland alleen kennen van horen zeggen of een enkele vakantie. Ziedaar de zware taak voor de president. Want niets wijst erop dat de Molukken spoedig onafhankelijk zullen zijn.

“We moeten geduld opbrengen. Afwachten tot de gelegenheid zich voordoet. En intussen moeten we zo goed mogelijk integreren in de Nederlandse samenleving. Dat geeft ons eigenwaarde, lef. Het moet zo zijn dat als een Molukker opstapt bij een baantje, de achtergebleven mensen zeggen "verdorie, het lukt niet zonder die vent'.

“Deze periode moeten we gebruiken als leertijd. Onze toekomst ligt niet hier. Als de grote dag daar is, moeten wij klaarstaan om de mensen dáár te helpen. Al kunnen we niet allemaal terug, als de Molukken nu onafhankelijk zouden worden. Trouwens, zoals het zich nu laat aanzien, wil lang niet iedereen terug.”

Als?

“Ze worden gegarandeerd onafhankelijk. Ik zal het zoet der overwinning niet meer smaken, maar de dag komt. Kijk maar naar Oost-Europa, daar komen de onderdrukte volkeren ook in opstand.

Sommige Molukkers, zoals uw vroegere collega-minister P. Tatipikalawan, verwijten de huidige leiding van de RMS slapheid. U zou zich niet actief genoeg inzetten voor de bevrijding van de eilanden.

“Ik zeg liever niet welke plannen wij ontwikkelen. Dat gaat niet via de legale weg. Maar ik kan niet van hieruit de opstand uitroepen of leiden. Dat moeten ze daar doen. We moeten de zaak daar niet willen overnemen. Alsjeblieft, dat zou infaam zijn! Als ze onafhankelijk worden, moeten ze tegen mij zeggen: dit zijn de zaken die we nodig hebben en die en die mensen. Dan moeten wij klaarstaan. Daarvoor moeten wij de jongeren in bepaalde disciplines bekwamen die ze daar nodig kunnen hebben. En ik heb het voordeel boven mijn voorganger dat ik met hoog opgeleide mensen kan werken.

“Soms”, en hij wrijft bij de gedachte al vergenoegd in zijn handen, “soms zou ik de knoet er wel over willen halen. Die jongeren zijn af en toe zo lauw. Maar ja, ze zijn hier opgevoed. Ze hebben hier leren vergaderen en zelfstandig leren zijn. En wij hebben geen macht. Als ik tegen ze zeg, doe dit, en ze zeggen "Ga op het dak zitten', wat moet ik dan?

Is er dan nog wel werk voor een president en een kabinet met zijn ministers?

“Ach kabinet, kabinet. Manusama had ook geen echt kabinet. Zijn adviseurs voerden de titel van minister voor officiële gelegenheden. Ze noemen mij president, allright, dat aanvaard ik. Maar een beetje bescheidenheid graag. De president is het vleeslijk geworden gezag dat uit de Molukken is gekomen.”

En hij kijkt een beetje beduusd van de plechtige formulering.