DE WERELD, EEN ETNISCHE CENTRIFUGE

Pandaemonium. Ethnicity in International Politics door Daniel Patrick Moynihan 221 blz., Oxford University Press 1993, f 59,50 ISBN 0 19 827787 3

Dat Nederland een gelukkige uitzondering vormt in deze wereld, vermoedden we al maar dat het samen met onder meer IJsland, Denemarken en Portugal tot de slechts zeven naties op deze aarde behoort, wier grenzen in het geheel niet omstreden zijn, is wel heel verrassend. Alle andere kennen vaak etnisch gemotiveerde twijfel daaromtrent. De schrijvende senator uit New York, Daniel Patrick Moynihan, citeert in zijn onlangs verschenen Pandaemonium. Ethnicity in International Politics met graagte een onderzoek uit 1985 waaruit dit bleek. Het geeft aan dat het onderwerp van zijn studie bepaald geen marginaal vraagstuk is.

De laatste twee boeken van Moynihan geven zeldzaam goed de snel wisselende gemoedsrust van de laatste jaren weer. In 1990 publiceerde Moynihan tegen de achtergrond van het einde van de Koude Oorlog On the Law of Nations, een hartstochtelijk pleidooi voor het belang van het volkenrecht. Onlangs verscheen een boek dat doordrenkt is met de ontnuchtering die het uiteenvallen van Joegoslavië en de Sovjet-Unie teweeg heeft gebracht. De inhoud is bondig samengevat in de titel: Pandaemonium.

Beide boeken willen uitdrukkelijk meer zijn dan een stemmingsgevoelige momentopname. Ze hebben de huidige wanorde in de internationale politiek en de moeizame pogingen tot ordening op basis van het volkenrecht tot onderwerp. En in beide wordt op een boeiende manier jarenlange wetenschappelijke interesse - Moynihan was hoogleraar bestuurskunde in Harvard - gecombineerd met een grote politieke ervaring - de auteur was ambassadeur in India en bij de Verenigde Naties, en nu al weer jaren Democratisch senator van New York.

On the Law of Nations behandelt de lange verbondenheid van de Verenigde Staten met de gedachte van een algemeen geldend volkenrecht, ook al heeft het land verschillende malen tegen deze traditie gehandeld. Moynihan roept de tijd van president Wilson (1912-1920) in herinnering en diens pleidooi in de nadagen van de Eerste Wereldoorlog voor universele rechtsbeginselen en een internationale organisatie die deze kan opleggen. Natuurlijk heeft hij wel iets af te dingen op het haast messiaanse geloof van Wilson, maar hij lijkt toch diens erfenis hogelijk te waarderen.

VERSAILLES

Precies in dat oordeel is het verschil zichtbaar met Pandaemonium, waarin een heel ander aspect van Wilsons erfenis centraal staat: het recht op zelfbeschikking van volkeren en naties. Moynihan neemt ons daartoe mee naar de onderhandelingen die tot het verdrag van Versailles hebben geleid in 1918/1919. In zijn geheime dagboek schreef de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken, Lansing, op 30 December 1918: ""Hoe meer ik nadenk over de verklaring van de president over het recht op "zelfbeschikking', des te meer ik overtuigd raak van het gevaar... Deze term is eenvoudigweg geladen met dynamiet. Het zal beloftes oproepen die nooit kunnen worden ingelost. Het zal, ben ik bang, de levens van duizenden opeisen. [...] Wat een ramp dat deze term ooit is geuit! Wat een ellende zal er uit voortvloeien!.''

Lansing begreep dat met de introductie van het recht op zelfbeschikking van volkeren de doos van pandora was geopend. Van nu af aan kon elke afscheidingsbeweging die uit naam van een etnische groep sprak volledig legitiem streven naar een eigen staatsverband. Het recht op zelfbeschikking waarvan Wilson aannam dat het één van de pijlers van een stabiele en rechtvaardige wereldorde zou kunnen vormen, droeg vanaf het begin het zaad van de tweedracht in zich en zou permanente onrust veroorzaken.

Wilson kwam er overigens zelf ook snel achter dat hij mee had geholpen een kracht in het leven te roepen die nauwelijks te beheersen was. In de zomer van 1919 werd hij bezocht door een Ierse delegatie die het recht op een afsplitsing van Groot-Brittannië kwam bespreken. Volgens één van de deelnemers zei Wilson bij die gelegenheid onder meer dat hij toen hij het woord "zelfbeschikking' uitsprak, hij ""geen idee had van de nationaliteiten, die nu dag na dag naar ons toekomen''. ""U hebt geen idee,'' vervolgde hij, ""van de angsten die ik uitsta door de hoop die miljoenen mensen putten uit mijn woorden.''

Het is heel begrijpelijk dat Moynihan in zijn beide boeken zoveel aandacht geeft aan Wilson. Het Europese deel van de wereld zoals we dat nu kennen, is een direct resultaat van de Eerste Wereldoorlog. Wilson was trouwens zelf langdurig in Parijs bij de vredesonderhandelingen aanwezig en hij heeft de principes waarop de vrede was gebaseerd mee vorm gegeven. Zijn ideeën hebben de herindeling van Eurapa wezenlijk beïnvloed in deze cruciale periode. Alle staten van Midden- en Oost-Europa, zoals Joegoslavië, Hongarije, Tsjechoslowakije en niet te vergeten de Sovjet-Unie zijn in deze jaren ontstaan en kennen zeker sinds 1989 allemaal vormen van etnisch gemotiveerde conflicten.

Pandaemonium is ten dele een verhandeling over gelijk hebben, maar het niet krijgen. Moynihan beschrijft hoe hij, samen met zijn Harvard-collega Nathan Glazer, al in een vroeg stadium afscheid nam van de liberale gedachte dat etnische bindingen langzaam als vanzelf oplossen in een smeltkroes van culturen. In 1963 publiceerden ze Beyond the Melting Pot, waarin ze met veel nadruk het belang van raciale en etnische kwesties voor de Amerikaanse samenleving schilderden. Het bleek aan dovemansoren gericht, want de illusie van de smeltkroes bleef nog lang het zicht benemen op de werkelijkheid van de raciale "verzuiling' in de Verenigde Staten.

LOSSE OMGANG

Voor Moynihan is etniciteit dus niet iets wat zich ver weg afspeelt. Het is een problematiek van de eigen samenleving, zo men wil van zijn eigen stad. Hij waagt zich overigens niet aan een precieze definitie van etniciteit, maar gebruikt het bergrip op een nogal losse manier om groepsidentiteiten te omschrijven die op raciale en linguïstische overeenkomsten zijn gestoeld. Dat niet alle nationale conflicten - denk aan Noord-Ierland - daar om draaien deert Moynihan ogenschijnlijk niet. Problematisch is wel dat door zijn losse omgang met het begrip hij erg vaak etnische en nationale conflicten vereenzelvigt.

Moynihan neemt meer tijd om aan te tonen dat hij één van de weinigen was die op basis van zijn etnische studies en in de Senaat al in een vroeg stadium het uiteenvallen van de Sovjet-Unie voorspelden. Hij wijst hierop niet als louter academische kwestie, merkt hij malicieus op, want als dit inzicht eerder was doorgedrongen, dan hadden de Verenigde Staten de Koude Oorlog niet hoeven te beëindigen als natie met de grootste nationale schuld ter wereld.

Deze redenering veronderstelt dat de druk van het Westen op de Sovjet-Unie niet van wezenlijk belang is geweest voor de uiteenrafeling van het imperium. Daarin heeft Moynihan waarschijnlijk gelijk. Overigens laat hij ongenoemd dat in de jaren van Reagan de slogan ""managing the decline of the Soviet empire'' wel degelijk gevleugeld was. Waarmee gezegd wil zijn dat ook in conservatieve kring door sommigen serieus rekening werd gehouden met de neergang van de communistische grootmacht.

Het enigszins kokette wijzen op eigen gelijk laat onverlet dat Moynihans ijdelheid over het geheel genomen functioneel is voor zijn betoog. Soms wordt het wat veel als hij complimenten aanhaalt die Kissinger hem na 1989 heeft gemaakt. Maar goed, hij had het gelijk aan zijn kant en kreeg het doorgaans niet. Wat blijft, is zijn nadrukkelijke pleidooi voor de ""voorspellende waarde'' van etniciteit in verband met internationale conflicten.

Zowel de liberale verwachting dat etnische verschijnselen een voorbijgaand probleem zijn, als de marxistische onderschatting van het probleem worden door Moynihan vakkundig ondermijnd. Daarmee brengt hij op een interessante manier liberalisme en marxisme met elkaar in verband. Overigens stemmen verrassend genoeg ook wat betreft de Europese eenwording liberale en marxistische denkers overeen in hun overwaardering van economische dwang en verregaande onderschatting van nationale en etnische identiteiten.

VOLSLAGEN ONKUNDE

Wat Moynihan goed laat zien is dat de term "zelfbeschikkingsrecht' hopeloos vaag is. Dat heeft iets te maken met de omstandigheden waarin het opkwam. Het werd door Wilson gepresenteerd als een abstract universeel recht, maar had in de Eerste Wereldoorlog een precieze functie, namelijk het ondermijnen van het Duitse, Habsburgse en Ottomaanse imperium, waarmee de geallieerden in een oorlog verwikkeld waren.

Moynihan vertelt zeer beeldend over de volslagen onkunde waarmee de staatslieden op de Vredesconferentie in Parijs de etnische kaarten tekenden. De overeenkomst met het plan van Vance en Owen voor de opdeling van Bosnië dringt zich onweerstaanbaar op, als men de taferelen tot zich laat doordringen van staatslieden die zich verward buigen over gecompliceerde kaarten van regio's die ze in de verste verte niet kennen.

De Verenigde Naties hebben na de Tweede Wereldoorlog de traditie voortgezet door ""de zelfbeschikking van volkeren'' een voorname plaats in het Handvest te geven. Het is vooral de Sovjet-Unie geweest die heeft aangedrongen op deze formulering. De antikoloniale bedoeling ervan was duidelijk. Ook in deze context had wat als een universeel beginsel werd gepresenteerd een precieze politieke functie. Dat de Sovjet-Unie zover zou gaan om voor al haar zestien republieken, die volgens haar grondwet autonome bevoegdheden hadden in de buitenlandse politiek, aanvankelijk een plaats op te eisen als lid-staat van de VN, had trouwens niemand verwacht.

Moynihan vraagt terecht wat precies wordt bedoeld met ""zelfbeschikking van volkeren''? Kan men wel spreken van een "recht' op zelfbeschikking, en zo ja hoever reikt dat dan? En misschien belangrijker: Wat is eigenlijk een "volk'? Definieert men een volk bijvoorbeeld langs taalgrenzen, dan is onmiddellijk inzichtelijk dat er nog een enorm potentieel aan etnische conflicten opgestapeld ligt. Er zijn volgens sommige schattingen meer dan zesduizend talen en tegen de tweehonderd staten in de wereld. Telde de VN aanvankelijk vijftig lidstaten, nu is dat al bijna verviervoudigd en het einde is nog lang niet in zicht. Vanuit het perspectief van de etnische studies is het dus niet zo heel moeilijk om talloze nieuwe breuklijnen in de internationale politiek van de toekomst nu al aan te wijzen.

Aan het einde van zijn verhandeling bewijst Moynihan een wel erg gerijpt politicus te zijn. Op de leninistische vraag "Wat te doen?' die hij zichzelf stelt komt een heel sober antwoord: ""Misschien niet zo heel veel.'' Met etniciteit als een vorm van groepsbinding en zelfrespect is op zichzelf niets mis, maar hoe om te gaan met de gevolgen daarvan in de wereldwanorde is eigenlijk onontgonnen terrein. Over één zaak is hij heel duidelijk. Vormen van "positieve discriminatie' zijn de zekerste weg naar etnische conflicten. Met lichte verbazing stelt hij vast dat het juist de moderne staten zijn die etniciteit het meest belonen.

Tegelijkertijd is de nationale soeve-reiniteit minder vanzelfsprekend aan het worden. De grenzen zijn poreuzer, wat niet wil zeggen dat iedereen klaar zal staan om de rechten van minderheden die elders worden bedreigd te verdedigen, eventueel met militaire middelen. De oorlog op de Balkan verleidt Moynihan tot een bitter-zoete conclusie: ""De verschrikkingen duren voort en de internationale gemeenschap zal zichzelf moeten afvragen hoelang ze de onverschilligheid kan volhouden. Waarop het antwoord natuurlijk is: heel lang. Maar een groot vermogen om wreedheden te tolereren, betekent nog niet een onbeperkt vermogen. Beschavingen die zich beroepen op universele waarden proberen in het algemeen ze overeind te houden, ook al duurt het even.''