DE INDISCRETE CHARME VAN EEN COURANTIER; Lord Beaverbrook en het genot van macht zonder verantwoordelijkheid

Beaverbrook. A Life door Anne Chisholm en Michael Davie 589 blz., gell., Hutchinson 1992, f 65,65 ISBN 0 09 173549 1

Het lijkt wel of alle mensen die ooit Lord Beaverbrook hebben ontmoet, later over hem moesten schrijven, zo fascinerend was kennelijk de persoonlijkheid van deze Britse krantenmagnaat. De meesten van hen deden dat trouwens nadat ze zijn vriend waren geworden, nadat ze mentaal onder zijn invloed waren komen te staan, of omdat ze door hem werden betaald. Van de twee eerder verschenen Beaverbrook-biografieën is de ene geschreven door een vriend, de historicus A. J. P. Taylor, en de andere door een journalist, Tom Driberg, die financieel van hem afhankelijk was. De jongste biografie van Beaverbrook is de eerste die tot stand is gekomen zonder dat de auteurs op afstand door hun onderwerp werden bestuurd, al doet co-auteur Michael Davie in de inleiding al verslag van het bezoek dat hij ooit aan Lord Beaverbrook in diens buitenverblijf "La Capponcina' aan de Franse Rivièra mocht brengen.

Deze afstandelijkheid wekt bij de lezers verwachtingen, en die worden door het schrijversechtpaar Chisholm-Davie volledig waargemaakt. Beaverbrook. A Life is een openhartig, kritisch, maar fair boek geworden, in de beste traditie van de Angelsaksische kunst van de levensbeschrijving. De vaart in het verhaal werd geleverd door het verloop van Beaverbrooks leven, dat werd bepaald door de bizarre contrasten in zijn karakter. Zo gul als hij was, zelfs jegens evidente klaplopers, waren weinig andere stervelingen. Toch kon hij tegen zijn personeel in woede ontsteken wanneer interne post hem bereikte in een nieuwe envelop. Dat was spilzucht, vond hij; een gebruikte envelop was voldoende. Een van Beaverbrooks secretaresses hield aan deze obsessie van haar baas een pathologische hamsterdrift over; na haar overlijden vond men in haar woning tienduizenden oude enveloppen. Andere werknemers van "de Voornaamste Lezer', zoals hij binnen zijn krantenconcern ook wel heette, besteedden uren van hun hooggesalarieerde werktijd aan het "oud' maken van nieuwe enveloppen door er overheen te lopen en met thee te begieten.

Weinig mensen ook waren zo hartelijk, zo gastvrij en zo aandachtig als Beaverbrook. Tegelijkertijd was de enige vorm van "humor' die hij beheerste, toegepast sadisme. Wie met hem meereed in zijn auto, liep het risico op een verlaten plek het verzoek te krijgen de wagen van His Lordship te verlaten. Toen hij slecht ter been werd, liet Beaverbrook in en bij zijn diverse residenties voor hem bestemde liftjes langs de trap aanleggen. Terwijl de gastheer elektrisch naar boven zoefde, moest zijn ongelukkige gespreksgenoot naast hem rennend de conversatie voortzetten. Kortom, het leven in dienst of aan de zijde van "The Beaver' was een voortdurend klank- en lichtspel. Never a dull moment.

MISMAAKT AAPJE

Maar uiteindelijk gaat deze biografie over de hoogst serieuze vraag of het veelkoppige fenomeen Beaverbrook nu een zegen, slechts een divertissement dan wel een plaag voor de Britse maatschappij is geweest. Die laatste visie bestaat namelijk ook. Lady Churchill smeekte haar echtgenoot Winston afstand te nemen van "die verschrikkelijke man', die volgens haar een kwade invloed had. Zijn vijanden spraken over hem, wegens zijn tengere lichaam waarop een onevenredig groot hoofd stond, als over "dat mismaakte aapje'. En de vooroorlogse minister-president Stanley Baldwin vond van het gemanipuleer van Beaverbrook en zijn kranten de kwalificatie uit die wereldberoemd is geworden: ""Power without responsibility - the prerogative of the harlot.'

Zegen, divertissement of plaag? Gedurende de eerste dertig jaar van zijn leven zadelde de toen nog gewoon Max Aitken geheten Beaverbrook zijn vaderland Canada met deze vraag op. Hij werd er in 1879 aan de oostkust geboren in het gezin van een uit Schotland stammende dominee. Het Woord Gods had op hem echter geen magnetische aantrekkingskracht (later kon hij een boosaardig genoegen scheppen in het beredeneerde vermoeden dat zijn strenge vader op zijn oude dag zijn geloof was kwijtgeraakt). De jonge Max ging "in zaken', en dat in de Bul Super-achtige betekenis van het woord. Hij kocht en verkocht aandelen in letterlijk alles, van een fabriek van wonderolie tot tramlijnen en elektriciteitscentrales. De "deals' volgden elkaar in een razend tempo op, en dank zij zijn messcherpe intelligentie en reactiesnelheid vergaarde Aitken daarbij een vermogen. Voor zijn dertigste was hij al miljonair.

In 1910 echter ging er iets mis. Aitken slaagde erin de noodlijdende Canadese cementindustrie in één klap te saneren door een zwaai met zijn toverstokje. Alleen bleek er aan die stok aanzienlijk meer eigen voordeel te zijn blijven hangen dan was afgesproken, en Aitken raakte in opspraak. Beaverbrooks biograaf A. J. P. Taylor wijst in zijn boek elke suggestie dat er een verband bestaat tussen dit schandaal en Aitkens plotselinge besluit zich in Engeland te vestigen, verontwaardigd van de hand. Chisholm en Davie zijn daar nog niet zo zeker van, gezien de uitkomst van hun minutieuze spitwerk naar de toedracht van de cement-affaire (ze zijn zo voorbeeldig geweest dit verslag van hun onderzoek als appendix in hun boek op te nemen; het houdt het lopende verhaal niet op, en de echte fijnproevers kunnen zich er toch in verdiepen).

JONG EN DYNAMISCH

Dat Aitken en de Britse politiek elkaar vonden, was geen toeval. Zijn interesse was breder dan alleen de drang tot veel geld verdienen - al zou hij deze gewoonte tot zijn dood niet opgeven - en politieke activiteit gaf hem een aanzien dat de zakenwereld niet kon bieden. Van hun kant lijfden de Tories hem graag bij hun gelederen in wegens zijn aura van jeugd en dynamiek. Een Brits onderdaan die every inch een Noordamerikaanse "doener' was: voorwaar een noviteit temidden van de gemummificeerde landadel die in de Engelse (Conservatieve uiteraard) politiek de toon aangaf.

Een periode in het Lagerhuis als afgevaardigde van Ashton-under-Lyne leerde Aitken evenwel dat het formele politieke spel hem verveelde. Hij bedreef de politiek liever als ritselaar en regelaar achter de schermen in combinatie met het vermogen de publieke opinie te bespelen. Voor wat het eerste betrof, kon hij twee machtige troeven uitspelen, zijn charme en zijn fortuin. Al snel was hij de boezemvriend en absolute vertrouweling van de Conservatieve leider Andrew Bonar Law en diens partijgenoot, de wereldberoemde schrijver Rudyard Kipling. De openbare mening probeerde Aitken naar zijn hand te zetten door middel van de kranten die hij verwierf.

Net zomin als de andere Londense "Press Lords' van zijn generatie bezat Aitken - de titel Lord Beaverbrook kreeg hij voor zijn bijdrage aan de verheffing van zijn vriend David Lloyd George tot premier na het ten val brengen van diens voorganger Herbert Asquith in 1916 - een media-imperium dat qua grootte zelfs maar in de schaduw kon staan van hedendaagse giganten als Rupert Murdoch of Roy Thomson. Hij heeft nooit meer dan drie kranten gehad, namelijk het landelijke ochtendblad de Daily Express, zijn zondagse pendant de Sunday Express en het plaatselijke Londense avondblad de Evening Standard. Daar stond tegenover dat een dagblad bij afwezigheid van concurrerende massamedia in de eerste helft van deze eeuw nog gezag had. Beaverbrook meende dat gezag uit te breiden door vooral de oplaag van de Daily Express fenomenaal en onafgebroken te doen stijgen. Toen hij het fletse blaadje in 1916 kocht, had het een paar honderdduizend lezers. Bij Beaverbrooks overlijden in 1964 waren het er viereneenhalf miljoen.

PAKKENDE KOPPEN

Het geheim van dit succes was, wederom, Beaverbrooks vermogen zakelijk en vooral journalistiek talent aan zich te binden door zijn charme en de inhoud van zijn portefeuille. Hier is het de plaats om uit te leggen waarom ook ik mij geroepen voel over Beaverbrook te schrijven, zij het in de afgeleide hoedanigheid van recensent. Helaas is dat niet omdat Beaverbrook cheques aan mij adresseerde, of omdat ik ooit zijn gast heb mogen zijn in zijn villa's bij Nice of op de Bahama's. De reden is slechts dat ik begin jaren zestig de autobiografie in handen kreeg van de man die als geen ander journalistiek verantwoordelijk is geweest voor de onstuimige groei van de Daily Express, (oud-)hoofdredacteur Arthur Christiansen.

Deze zoon van een scheepstimmerman bracht een revolutie teweeg in de presentatie van de inhoud van kranten. Door een schitterend gebruik van pakkende koppen (niet voor niets dragen zijn memoires de titel Headlines All My Life) en illustraties dramatiseerde hij het nieuws. Verslaggevers zwermden uit over de aardbol om koste wat kost - geld speelde inderdaad geen rol - de aangrijpendste, grappigste, actueelste verhalen door te bellen. De Daily Express, hield hij zijn mensen dagelijks voor, moest een krant zijn die de lezer al bij de voorpagina de uitroep "allemachtig' diende te ontlokken, bij pagina twee toch tenminste "nee maar', pagina drie "tjonge tjonge' enzovoorts. Never a dull moment.

Uiteraard vond hij bij het nastreven van dit doel Beaverbrook aan zijn zijde, en zelfs meer dan dat. Wat mij bij lezing van Christiansens boek met verbijstering vervulde, was de ijzeren greep waarin Beaverbrook Christiansen en daarmee dus de krant letterlijk van minuut tot minuut hield. En dat terwijl hij nauwelijks een voet bij zijn bladen over de drempel zette. Vanuit zijn leunstoel dirigeerde de kleine man via de telefoon en zijn dicteerapparaat zijn hoofdredacteuren. Christiansen in het bijzonder. Op elk moment van de dag of de nacht kon uit de hoorn van Christiansens toestel de vertrouwde stem blaffen: "What's the news?' Vervolgens kreeg de hoofdredacteur tot in de details te horen hoe de Express de politieke gebeurtenissen diende te verslaan, welke vijanden van Beaverbrook waren aan te vallen, welke vrienden moesten worden ontzien. Hoofdartikelen dicteerde Beaverbrook zelf, onder het schaamschortje van "adviezen' aan de commentatoren. Het verbluffendste was nog dat Christiansen het allemaal pikte, zich verschuilend achter het adagium: "His the politics, mine the paper'.

GOSSIP

Dat Chisholm en Davie zo goed als niets hebben toe te voegen aan de al bekende feiten over de merkwaardige relatie, die bijna dertig jaar duurde en die van cruciale betekenis was voor Beaverbrooks succes, tussen met name Christiansen en Beaverbrook, is de enige teleurstelling die mij bij het lezen van deze biografie bekroop. De nadruk ligt in dit boek dan ook niet zozeer op de couran-tierskant van Beaverbrook als wel op zijn politieke en particuliere besognes. Beide zijn met elkaar verweven. Politiek bestond voor hem eigenlijk alleen uit individuen die hij kende en die hij haatte of met wie hij bevriend was. Ideologische gedachtengangen interesseerden hem nauwlijks: het ging hem erom of hij de persoonlijkheden leuk, interessant en spannend vond. Daarom was hij zo verzot op gossip over iedereen, zowel bij hem thuis aan het diner als in zijn kranten.

Het sprekendste voorbeeld van deze behoefte was Beaverbrooks protégé Tom Driberg, voor wie ondanks zijn communistische sympathieën bij de Daily Express de loper werd uitgerold omdat hij er de beste gossip column van de hele Britse pers in schreef. Een linkse Labourcoryfee als Michael Foot mocht wegens zijn persoonlijkheid Beaverbrooks Evening Standard redigeren. Beaverbrook hief het glas even gemakkelijk met Churchill en de kortstondige koning Edward VIII als met Stalin en Von Ribbentrop. Wat men ook van dit wel zéér gevarieerde gezelschap heren kan zeggen, niet dat ze saaie dingen deden.

Hetzelfde geldt voor de talloze dames in zijn leven. Als eersten inventariseren Chisholm en Davie tamelijk volledig Beaverbrooks amoureuze perikelen - al besteedde Taylor er ook enige aandacht aan - en daarbij is het opvallend dat hij vooral viel op vrouwen die ongewone talenten hadden: schrijfsters, musiciennes, een krantenbezitster (Dorothy Schiff van de New York Post), een ballerina. Van hun kant waren vrouwen vaak gefascineerd door deze "geniale gnoom', zoals een van hen hem noemde. De vertroebelende factor in Beaverbrooks relaties met individuen echter, ongeacht of het nu vrouwen of mannen waren, en de connectie erotisch of vriendschappelijk of zakelijk, was dat ze allen dankbaar het geld aanpakten dat hij hun gaf als ze weer eens krap bij kas zaten. Enerzijds vond hij dat vanzelfsprekend - zo zat de wereld kennelijk in elkaar - anderzijds moet het zijn dunk van de medemens nauwelijks hebben verhoogd. Iedereen was te koop.

GEEN GREINTJE SUCCES

De keerzijde van de medaille dat voor Beaverbrook al het politieke uiteindelijk persoonlijk was, werd zichtbaar in zijn vijandschappen. Er waren een paar grote "issues' waarvoor hij zijn kranten in de jaren dertig op de bres liet staan, en dan werd er op de man in plaats van op de bal gespeeld. Dat waren zijn kruistocht (vandaar de afbeelding van een kruisvaarder in de kop van de Daily Express) voor vrijhandel binnen het Britse wereldrijk, door tariefmuren afgeschermd van de rest van de wereld; zijn afkeer van premier Stanley Baldwin; en zijn onvoorwaardelijke steun aan alle pogingen om het met Adolf Hitler op een akkoordje te gooien.

Taylor schrijft in zijn Beaverbrook-biografie "at a loss' te zijn om te verklaren waarom sommige mensen een hekel aan zijn vriend hadden. Uit de beschrijving van Chisholm en Davie valt op te maken dat menigeen daar een gegronde reden voor had. Wie zich publiekelijk tegen de standpunten van Beaverbrook keerde, kon erop rekenen in zijn kranten te worden bespot, beroddeld en gehoond met een ongekende verbetenheid. Niet voor niets noemde de politicus Duff Cooper, die als tegenstander van de campagne voor "Empire Free Trade' het volle geweld van de Beaverbrook-kranten te verduren had gekregen, hun eigenaar "Beavercrook'.

Kan men op deze gronden de persmagnaat niet als een zege voor de natie beschouwen, een plaag was hij evenmin. In de eerste plaats niet omdat Beaverbrook met geen van zijn drie desastreuze campagnes ook maar een greintje succes boekte. De Daily en de Sunday Express mochten dan wel miljoenen lezers hebben, ze deden daarom nog niet wat de "Voornaamste Lezer' hun voorschreef. Ten tweede rehabiliteerde Beaverbrook zich tijdens de Tweede Wereldoorlog, nadat dus duidelijk was geworden dat "appeasement' jegens Hitler nooit iets zou hebben opgeleverd, door zijn onvermoeibare inzet voor de Geallieerde oorlogsinspanningen. Vooral als minister voor Vliegtuigproduktie in de donkerste maanden van de Slag om Engeland maakte hij zich legendarisch, al maken Chisholm en Davie daarbij wel enkele relativerende kanttekeningen. Zo was niet gebrek aan jachtvliegtuigen het grootste probleem bij het afweren van Duitse bommenwerpers, maar het tekort aan ervaren piloten. Bovendien werd door de eenzijdige nadruk op de produktie van jagers de fabricage van andere dringend noodzakelijke vliegtuigtypes, zoals verkenningstoestellen, ernstig afgeremd. Desondanks was Engeland in die jaren mèt Beaverbrook beter af dan zonder hem.

Uiteindelijk was Beaverbrook een kleurrijk divertissement, zoals het leven voor hem een divertissement moest zijn. Als het hem in het leven weleens tegen zat, kon hij zich dan ook mokkend als een kind terugtrekken in gezeur over de vele kwalen die hem zogenaamd kwelden. Toch werd hij vijfentachtig.

In 1956 moest Beaverbrook Christiansen wegens diens hartkwaal definitief afdanken als hoofdredacteur. Na hun laatste gesprek begeleidde hij "Chris' naar de lift, en zei, terwijl zijn trouwe dienaar al begon te dalen: "Sorry to see you going down'. Ondanks Beverbrooks gebreken zullen heel wat mensen die op zijn begrafenis, in 1964, zijn kist zagen zakken, hetzelfde hebben gedacht.