De bevrijding van de leraar

KINDEREN HEBBEN RECHT op blije leraren, zei een voormalige lerares in een korte serie portretten in deze krant.

Maar alle energie in het onderwijs gaat op aan vergaderen en ongenoegen, voegde ze eraan toe. “Het onderwijs is een krokodil. Als je er te dichtbij komt verslindt hij je”, merkte een ander op. Een derde ontdekte dat de prachtige pedagogische theorie waarmee hij was opgeleid in de praktijk breekt als een vallend krijtje. Het omgaan met de videoclip-generatie stelt geheel nieuwe eisen aan het vakmanschap. Wie tegenwoordig gedreven door idealisme de schoolklas binnenstapt, komt er al snel achter dat hij er alleen voor staat.

Met de democratisering van de samenleving en de algehele stijging van het opleidingsniveau van de bevolking heeft het aanzien van de leraar zich de afgelopen decennia omgekeerd evenredig ontwikkeld aan de zwaarte van het beroep. Leraren zijn, althans in de publieke perceptie, een eigentijds lompenproletariaat geworden. Hoogopgeleide sukkels die geen beter betaalde baan konden vinden, maar van wie wel wordt verwacht dat ze de hiaten vullen die drukbezette ouders in de opvoeding van hun kroost laten vallen. Ouders die intussen, zoals een geïnterviewde leraar het zei, “al in hun auto stappen als je een keer een onvoldoende geeft”. "Opgebrand' is dan ook een huis-tuin-en-keuken-begrip geworden in het onderwijs, leraren dreunen in de koffiekamer moeiteloos de percentages arbeidsongeschiktheid op waarmee hun collega's het schoolgebouw hebben verlaten. Maar de rituele neerslachtigheid over het vak in het algemeen staat vaak in schril contrast met het enthousiasme dat diezelfde leraren steken in het dagelijkse werk in de klas. Het bedreigde, maar nog altijd aanwezige plezier in het lesgeven verdient daarom een modernere, meer stimulerende werkomgeving.

LANGZAAM AAN IS dan ook, zowel op het ministerie van onderwijs als in "het veld', het besef gegroeid dat een trendbreuk noodzakelijk is. Al was het maar een psychologische, om de leraar te bevrijden van het deprimerende gevoel dat alles en iedereen vooruitholt, maar hij stil blijft staan. Wat volgde was een tombola van beleidsvoornemens. Meer salaris, meer variatie in het werk, meer samenwerking tussen leraren, meer vrijheid voor de school om een eigen personeelsbeleid te voeren - compleet met moderne snufjes als carrièreplanning en talentmanagement. Zo moet worden afgerekend met het sinds de jaren zestig sterk gecentraliseerde overheidsbeleid en de door de vakbonden steeds verder gedetailleerde rechtspositieregeling voor het onderwijspersoneel, die vrijwel elke souplesse onmogelijk maken.

De recentste greep in de tombola deed de commissie onder leiding van Andrée van Es, met haar vorige week verschenen rapport over de toekomst van het leraarschap. Een school moet een bedrijf worden, onderstreept de commissie nog eens. Een dynamische, flexibele organisatie met loopbaanbegeleiding, prestatiebeloning en functie-differentiatie. De strakke bevoegdheidseisen moeten worden versoepeld om ook vlotte deskundigen zonder didactische aantekening voor de klas te halen - een voorstel dat leidde tot de gebruikelijke verontwaardiging in vakbondskringen maar dat in feite neerkomt op een weinig schokkend pleidooi voor betere samenwerking tussen scholen en lerarenopleidingen en voor iets meer flexibiliteit in de recrutering van onderwijsgevenden. Ook volgens de commissie blijft een algemene kwaliteitseis voor leraren onmisbaar.

HET LIGT NIET voor de hand een adviescommissie te complimenteren met het feit dat haar advies in hoge mate overeenkomt met de doelstellingen van de geadviseerde bewindsman. Maar de publikatie van het rapport van Van Es is door de combinatie van haar inhoud en de overwegend positieve reacties erop een verademing. Te vaak heeft het onderwijs zichzelf wijsgemaakt dat veranderingen onmogelijk zijn en verbeteringen een godswonder. Hooguit rijst de vraag of de commissie niet wat te ver is doorgeschoten in haar poging van het leraarschap een modern avontuur te maken en van iedere leraar een renaissancistische homo universalis. Het onderwijs heeft zijn natuurlijke grenzen: hoe gedifferentieerd een leraar zijn loopbaan ook invult, hij blijft een leraar - die les moet geven.

Staatssecretaris Wallage staat nu voor de taak de goede bedoelingen om te zetten in effectief beleid dat de scholen meer vrijheid geeft en de leraren meer mogelijkheden. Vakbonden, organisaties van schoolbesturen en Wallage's eigen logge departement lijken daarbij voorlopig zijn belangrijkste tegenstanders. Vorig jaar werd het zogenoemde formatiebudgetsysteem ingevoerd, waarmee de schoolleiders, hoe ingewikkeld het systeem ook was, meer mogelijkheden voor een eigen personeelsbeleid kregen. Maar al spoedig waren de marges tot bijna nul gereduceerd - in jargon: dichtgetimmerd - door een akkoord tussen vakbonden en schoolbesturen. De vakbonden vreesden voor de rechtspositie van hun leden en de besturenorganisaties vertrouwden de scholen de nieuwe verantwoordelijkheden niet toe. Maar wie dezer dagen de temperatuur op de scholen meet, kan concluderen dat de behoefte aan verandering en vernieuwing niet alleen op het papier van het rapport-Van Es bestaat. Het machtige middenveld van besturen en bonden krijgt eindelijk enig verfrissend tegenwerk. Het onderwijs kan dat alleen maar ten goede komen.