Achteruit

Er klinkt lawaai in de keuken. Borden rammelen op elkaar, er valt iets, maar ik weet: er is niemand thuis behalve ikzelf, dus het zal wel weer een of andere spotvogel zijn. Zo hard als ze kunnen fluiten als ze in een boom zitten, zo hard kunnen ze ook rotzooien in andermans keuken. Alles wordt geïnspecteerd en als ik ga kijken zie ik hem op het fornuis zitten, terwijl hij verlekkerd de hoekjes uitspit en af en toe zijn snavel aan de zijkant afveegt, met precies dezelfde beweging die de hagedis gebruikt als hij zijn mond schoonmaakt.

Er gaat geen dag voorbij of ik moet er wel eentje redden, meestal een jonkie dat dan verdwaasd tussen de borden zit. Gisteren waren er twee suikerdiefjes die naast elkaar terugvlogen vanaf het bakje suiker, dwars over de veranda en de keuken naar het braakliggende landje hiernaast. Eentje ging links van de keukenmuur en de andere rechts, denkende dat hij wel door het raam kon.

Ik hoorde de klap en rende naar de keuken waar ik hem in het aanrecht aantrof. Halfdood, geknakt, maar hijgend. Alsof ik een vlinder oppakte zo voorzichtig bracht ik het geel/zwarte vogeltje naar de zeezijde, waar ik hem in de luwte onder een palm op de grond legde, op een plat stukje, niet op het landje, waar te veel vraatzuchtige dieren huizen, maar nog vlak bij "ons'. Hij was zo aangeslagen of gewond dat hij voorover viel, met een half open bekje, waar gelukkig geen bloed uitkwam. Een paar keer zette ik hem rechtop, daarna bleef hij zo zitten, amechtig hijgend en met een kloppend hartje.

Na tien minuten was hij weg. Gevlogen naar ik hoop.

Hoe zou dat nou werken? Heeft een musgroot vogeltje hoofdpijn? Een hersenschuddinkje? Blijvend letsel? Het zal ons nooit geopenbaard worden, ben ik bang. En dan, heeft hij wel "weet' van mijn actie? Ik zie steeds weer nieuwe suikerdiefjes rondrazen, maar er knipoogt er nooit eentje.

Zo heb ik, overmoedig, de eerste dag dat ik in dit paradijsje was, de aanwezige spotvogel - er zijn er meer dit jaar - mijn fluitje geleerd. Dat deed hij na drie keer al na, en binnen de kortste keren kenden ze het allemaal, althans ik word er al voor zessen mee gewekt en ik hoor het tot het slapengaan.

Het is hier dus een gescharrel en gefluit van jewelste. Blaadjes dwarrelen rond, deuren klepperen in de wind, golfjes slaan over het rotsje, maar het dierenvolkje weet precies voor welk geluid je bang moet zijn. Als achter de grote hagedis een zwaar blad valt kijkt hij niet op of om, ook niet als de spotvogel aan komt trippen. Hij vindt het wel vervelend als de spotvogel naar hem pikt, maar hij gaat niet echt op de loop. De kleine hagedis echter moet uitkijken voor de grote, tenzij het z'n moeder is. Die moeder is vaak zo verbaasd haar eigen kind aan te treffen, dat ze nieuwsgierig naderbij kruipt, de kleine even in het gezicht tuurt, een beetje nuffig reageert als de kleine zich over haar staart uit de voeten maakt en dan maar een paar slagen om haar as maakt, achter haar eigen staart aan.

Ze is nu weer in de buurt. Ik zie alleen nog maar haar turkooizen voetje om de hoek en even later glijdt ze helemaal in beeld. Haar hoofd begint grijs met witte stippen, dan een stukje bruin met stippen, dan het stuk vanaf de voorpoten tot de achterpoten blauwgroen als de voetjes zelf (niet de beentjes) en dan een grijs stuk gevolgd door een bruine staart. Die schakering krijg je pas als je oud bent, in tegenstelling tot de leguaan, die juist weer felgroen is in zijn jeugd. De hagedis schrikt dus niet als ik fluit, want fluiten, dat hoor je hier veel. Ze hebben allemaal een eigen plekje, een eigen territorium, dat je misschien niet ziet maar dat er wel degelijk is. De vijf papegaaitjes aan de voorkant denken dat dat hun boom is. En waarschijnlijk is dat ook zo.

In het water ligt een groot, aan de grond vastgemaakt, net waarin een school masbangu vers wordt gehouden. Soms haalt men een partijtje op voor de markt.

Boven dit net, als op een eigen vijver, zitten pelikanen, misschien wel alle pelikanen van het eiland. Als het druk is 23, op stille tijden toch nog zeven, want ze zien het als hun terrein. Ze vissen de hele dag door, maar vooral als de avond valt, en de masbangu naar boven komt. In het halve licht zien ze beter dan de vis en storten zich in steeds hernieuwde sorties in het water, want vanuit de drijvende houding kom je niet diep genoeg, je moet van hoogte duiken. Overdag zitten ze niet alleen op vis te loeren maar vooral op de sterntjes die overvliegen. Gisteren dook er een en binnen een seconde zaten er vier, vijf pelikanen op hem in te hakken met hun grote snavels. Ik vreesde het ergste maar hij wist zich los te rukken en bleef vervolgens nog tien minuten boven ze vliegen, uit een soort pesterij.

Zijn de sterntjes er niet, dan zijn er wel een of twee lachmeeuwen, die nog brutaler zijn en op de kop van een opduikende pelikaan vallen om de uit zijn bek stromende kleine vis te pakken. Ze worden alleen door het grote aantal pelikanen weerhouden. Ernstiger wordt het als uit de nok van de hemel de meestervogel naar beneden komt: de prachtige, majestueuze fregatvogel, wiens vleugelwijdte die van de pelikaan nog overtreft. Voor hem zijn ze het bangst, maar hij ziet het spel en het gevecht met de kleintjes meestal vanaf een grote hoogte onder zich afspelen.

In de verte (hoewel, vijftig meter is geen verte) komt een klein schooltje jonge dolfijnen met donkerbruine lijven langs, die wel wat buitelen, maar ook lange tijd aan de oppervlakte zwemmen. En heel soms verschijnt er, maar dan echt in de verte, een walvis, die hoog spuitend en met grote snelheid langs het eiland klieft.

Die laatste drie soorten, de fregatvogel, de dolfijn en de walvis, die blijven nog wel een tijdje voordat ze ook ten onder gaan aan het aantal mensen. Maar de dieren dichterbij, die zullen wegmoeten: gisteren waren er drie mannen in stadse pakken. Dit huis, het huis hiernaast en het landje worden aan het eind van de maand gevlakt. Er worden dan condo's gebouwd, met een zwembad en zo.

Weg bloemen, hagedissen, papegaaitjes, leguanen, spotvogels, pelikanen en rock beauties. Die kunnen niet tegen condo's. Die moeten verhuizen.

Achteruit, steeds verder achteruit.