Winst werkt

Vorige week verscheen het Centraal Economisch Plan 1993 met daarin een vooruitblik op de economische ontwikkeling in 1993 en 1994.

Al met al niet echt vrolijkmakende literatuur. In november jongstleden moesten de cijfers worden bijgesteld wegens de tegenvallende ontwikkeling. Intussen blijkt het al weer slechter te gaan dan in die Tussenrapportage werd verwacht. Dat heeft te maken met de achteruitgang van de wereldconjunctuur, met de harde gulden die de produkten die wij uitvoeren relatief duur maakt en met het niveau van onze arbeidskosten. Wat dit laatste betreft: verrassend zijn de cijfers in het CEP over de zogeheten arbeidsinkomensquote (aiq). Deze laat zien welk deel van het nationaal inkomen naar de produktiefactor arbeid toegaat. De rest, het "overig inkomen' (winsten, rente-inkomsten en huren), is voor de factor kapitaal. Ruwweg mogen we zeggen dat hier gaat om de verdeling van de nationale koek tussen loonsom en winstsom. Sinds 1989 is de aiq weer aan het oplopen, wat betekent dat de factor arbeid zijn aandeel in het nationaal inkomen vergroot. In 1989 bereikte de aiq een dieptepunt (80,5 procent). Dit en het volgende jaar verwacht men dat hij iets boven de 87 procent zal liggen. Aanleiding voor het Planbureau om een loonmatiging te bepleiten.

Het stijgen en dalen van de aiq in de loop van de jaren weerspiegelt dat nu eens de factor arbeid en dan weer de factor vermogen de sterkste kaarten heeft bij de loononderhandelingen. Er is een zekere samenhang met de elkaar afwisselende hoog- en laagconjunctuur. Die kunnen we ons als volgt voorstellen. Als het beter gaat met een economie, ontstaan spanningen op de arbeidsmarkt. In allerlei beroepen worden meer werknemers gevraagd dan aangeboden. De onderhandelingspositie van de werknemers, van vakbonden, wordt sterker. De werknemersorganisaties hebben een verantwoordelijkheid om voor hun leden uit die onderhandelingen te halen wat erin zit. Hun sterke positie op dat ogenblik wil er dan nogal eens toe leiden dat ze er wat meer uithalen dan erin zit. Looneisen worden gesteld die groter zijn dan de toename van de produktiviteit. Hierdoor komen de ondernemerswinsten onder druk te staan. En dan begint het tij te keren. Ondernemers die hun winsten terug zien lopen, stellen hun toekomstverwachtingen bij. Die extra fabriekshal moet even wachten, die derde sorteermachine wordt niet besteld. Zulke beslissingen hebben gevolgen voor de werkgelegenheid, voor het aantal nieuwe banen.

Dit zien we op het ogenblik gebeuren. Het aantal nieuwe banen lag in 1990 nog dik boven de 100.000, vorig jaar was het teruggelopen tot 45.000. Voor dit jaar en 1994 wordt een krimp van respectievelijk 17.000 en 7.000 banen verwacht. Met de kanttekening dat nieuwe bijstellingen nodig zijn als de Duitse economie nog verder wegzakt.

Het inzakken van de economie legt alweer de basis voor het komende herstel. Immers, bij groeiende werkloosheid hebben werknemers en de vakbonden een zwakkere onderhandelingspositie. Bovendien zullen ze vaak zelf inzien dat ze iets te ver zijn doorgeschoten. Je mag de kip zoveel mogelijk gouden eieren afpakken, maar je moet het dier niet slachten. Werknemers(bonden) matigen hun looneisen, de aiq neemt weer af, de winsten herstellen zich. De investeringen komen weer op gang en er komen nieuwe arbeidsplaatsen.

De figuur toont de ontwikkeling van de overig-inkomensquote en de verandering van de werkgelegenheid in arbeidsjaren (volle banen), vrij vertaald als winst en werk. De op- en neergang van de winstquote is duidelijk zichtbaar. De banengroei volgt die golfbeweging met enige vertraging. Wat de neergang betreft: in 1989 begint de winstquote te dalen, een jaar later zakt de groei van de werkgelegenheid in. En de opgang: toen vanaf 1981 de winsten zich begonnen te herstellen, reageerde de werkgelegenheid positief. Daaruit kunnen we hoop putten en lering trekken voor de komende jaren. Winstherstel is nodig om ondernemers weer aan het investeren te krijgen. Zo worden banen geschapen.

Aan het verband tussen winst en werk is overigens aan werknemerszijde wel eens getwijfeld. Hoezo winstherstel? Wie garandeert ons dat er dan ook banen bij komen en dat de winst niet in automatiseringsprojecten wordt gestoken? Of dat de winst regelrecht naar de aandeelhouders gaat? Inderdaad, een garantie dat winst werk oplevert is er niet. Maar de garantie dat geen winst geen werk oplevert kan makkelijk worden gegeven. Winst is een noodzakelijke (maar niet voldoende) voorwaarde voor het scheppen van nieuwe banen. Winst levert de middelen waarmee machines, kantoren en fabrieken kunnen worden gekocht. Bovendien is het een signaal voor vermogensverschaffers van buiten de onderneming (beleggers, banken) dat ze hun geld met kans op succes aan die onderneming kunnen toevertrouwen.

Nu het slechter gaat met de economie, zal de aiq op den duur wel weer dalen. In plaats van de wal het schip te laten keren, zouden we met wat loonmatiging het herstelproces kunnen versnellen.