Vrijdag 9; De strengste eisen

Onlangs gaf Max Pam uiting aan zijn verontwaardiging dat Het gouden ei van Tim Krabbé destijds, zoveel jaar geleden alweer, niet werd gehonoreerd met een additioneel honorarium door het Fonds voor de Letteren.

Ik was verbaasd over het goede geheugen van Max Pam, een verbazing die het won van mijn neiging hem gelijk te geven. Pam stelt dat Het gouden ei een van de weinige boeken is die na tien jaar nog worden gelezen. Meteen liet ik mijn herinnering het werk doen, zij het op een ander terrein der kunsten. In de tijd die Max Pams geheugen bestreek, zat ik gemiddeld drie avonden per week in de schouwburg naar toneel te kijken. Welke voorstellingen zag ik toen die de toets van de kritiek der tijd - de allerstrengste die er bestaat - kon doorstaan? Ik werd wanhopig van het rondstruinen in mijn geheugen, tot in de kleinste hoekjes en gaatjes. Ja, ik vond een handjevol voorstellingen dat mocht beklijven, de rest was verdwenen in de mist. Toch hebben al die voorstellingen relatief gunstige kritieken gekregen, werden de gezelschappen beloond met karrevrachten subsidie en waren er mensen die geld neertelden voor het toegangskaartje. Was dat vergeefse moeite? Verspilling van tijd omdat in het licht der eeuwigheid al het toneel zinloos is, want nu eenmaal gebonden aan de vergankelijkheid van die ene avond?

Wat mij telkens weer verbaast en ook grieft is dat aan literatuur en aan schrijvers in Nederland heel andere eisen worden gesteld dan aan bij voorbeeld het theater en de toneelregisseurs. De collectieve verontwaardiging die losbarstte nadat gebleken was dat een geliefd schrijver een enkele alinea uit een Amerikaanse studie in zijn boek liet figureren, is tekenend voor het snelle en vooral morele oordeel dat literatuur ten deel valt en toneel niet. Ik zag toneelstukken die van A tot Z bijeen waren geharkt uit bestaand werk, waarna de auteur zonder blikken of blozen zich het bijeen gesprokkelde werk toeëigende. Een toneelbewerking van andermans roman mag een eigen werkstuk heten; geen van de columnisten die zich erover bekommert. Zelfs als de regisseur zegt dat hij, juist door te stelen, de schrijver heeft "gered', dan nog blijft het ijselijk stil in de kolommen van de talloze stukjesschrijvers die er zo'n hoge moraal op nahouden. Wat er het hele seizoen door in de schouwburgen gebeurt, laat Nederland kennelijk Siberisch.

Hoe is dat zo gekomen met het toneel? Waarom appelleert het niet aan drang van columnisten zich er een oordeel over te vormen? Zodra een schrijver in Nederland, of een Fonds dat zich ten doel stelt schrijvers te ondersteunen, van wat dan ook beticht kan worden, dan worden de messen geslepen en blijft het nog lang onrustig in de gemoederen der letterlievenden. De schrijver is vogelvrijer dan de toneelkunstenaar. Ik raad columnisten aan vaker naar toneel te gaan, want daar ligt een schat aan verontwaardiging gratis en voor niets voor het opgraven. Week in week uit kunnen ze voort. En misschien dat het Nederlands toneel dan opeens beseft dat het werkelijk bestaat, en niet alleen in het schimmige duister van het theater.