Vlaamse groep in subtiel en evenwichtig Slotkoor

Voorstelling: Slotkoor van Botho Strauss door De Tijd. Vertaling: Bas Paijmans en Lucas Vandervost. Regie: Lucas Vandervost. Spel: Sam Bogaerts, Karen De Visscher, Johan Van Assche, Arlette Weygers, Rita Wouters e.a. Toneelbeeld: Erik Lagrain. Gezien: 6/4 De Brakke Grond, Amsterdam. T/m 10/4 aldaar; daarna tournee door Nederland en België t/m 29/5.

Juichende massa's, wildvreemden die elkaar huilend in de armen vielen, een Westduitse agent die een Oostduitse grenswachter door een gat in de Muur hielp klimmen - het waren uitgelaten taferelen die zich in de nacht van 9 op 10 november 1989 in Berlijn voordeden.

In Slotkoor, dat Botho Strauss vlak na de val van de Muur voltooide, is van deze euforische stemming niets terug te vinden. Het stuk laat zich lezen als een wrang, ironisch commentaar op het triomfantelijke slotkoor uit Beethovens Negende Symfonie, dat wil zeggen op de tekst daarvan, Schillers Ode an die Freude. De boodschap Alle Menschen werden Brüder die Schiller in dat gedicht lanceert, klinkt in Strauss' drama haast als een misplaatste grap.

Dat blijkt al uit de openingsscène, waarin een gezelschap voor de camera van een fotograaf staat opgesteld. In de regie van Lucas Vandervost zien we hoe een van de vrouwen haar borsten ontbloot en op een litteken wijst dat een moordlustige minnaar daar heeft achtergelaten. Niemand gaaat serieus op haar in; elk groepslid is geobsedeerd door zijn of haar eigen angsten en frustraties. Van saamhorigheid is in dit gezelschap (een koor? een toneelgroep?) geen sprake.

Botho Strauss' personages moeten herkenbaar zijn en toch een tikkeltje vreemd, dom en toch belezen; wat zij zeggen moet het midden houden tussen gemeenplaatsen en snedige aforismen, tussen een platvloerse constatering en een profetische boodschap. De spelers van het Vlaamse gezelschap De Tijd hebben een mooi evenwicht tussen die uitersten gevonden. Dat geldt ook voor de op het eerste gezicht lachwekkende Gezette Vrouw (Sam Bogaerts). Hoe zij met haar honderd kilo schijnbaar gewichtloze vreugdesprongetjes maakt is prachtig.

Het toneelbeeld van Erik Lagrain oogt koel en efficiënt. Een paar verrijdbare en draaibare zuilen en hier en daar een meubelstuk, dat is alles. Het mag er vooral niet te gezellig uitzien. Geen van de personages voelt zich immers ergens thuis, noch bij zichzelf, noch bij een ander. In liefdesrelaties vinden zij geen geborgenheid en kunst is voor hen geen troost, maar iets dat hen belet zichzelf te zijn. Ze zien de dingen door de ogen van hun favoriete kunstenaars en ze praten in geleende beelden. Zo meent de afgewezen minnaar Lorenz (Johan Van Assche) op een feestje dat hij op de wrede Delia (Karen De Visscher) moet afspringen als "een leeuw door een brandende hoepel'. Dat lukt hem natuurlijk niet. Vernederd en gehavend komt hij uit het feestgedruis tevoorschijn, struikelend over zijn eigen voeten. Laufet, Brüder, eure Bahn / Freudig, wie ein Held zum Siegen, hoor je in je verbeelding Beethovens slotkoor al honend zingen.

Pas in het laatste bedrijf dringt de politieke realiteit expliciet de handeling binnen. Wanneer de bezoekers van een Westberlijns restaurant te horen krijgen dat de Muur gevallen is, holt iedereen naar buiten, op één vrouw na, die door gruwelijke oorlogsbeelden wordt overvallen. In de surrealistisch aandoende slotscène wil zij zich verenigen met een uit de dierentuin bevrijde adelaar, maar het symbool van de Duitse natie heeft daar de kracht niet toe en de vrouw moet de vogel doden. Willen Strauss en Vandervost daarmee misschien ook zeggen dat we met àlle versleten symbolen moeten afrekenen? Dit beeld had gemakkelijk in kitsch kunnen ontaarden, maar Rita Wouters voorkwam dat door haar subtiele spel.

Slotkoor is het derde en laatste deel uit een reeks Botho-Strauss-stukken door De Tijd, waarbij terecht niet alleen de groteske en tragikomische, maar ook de irritante mythologische kant van deze avondvullende collages in de schijnwerpers werd gezet.