Verklaring van politie onder ede voldoende in rechtszaak ex-agent

AMSTERDAM, 9 APRIL. Een politieman die onder ede een verklaring voor het gerechtshof aflegt hoeft zijn verklaring niet met bewijzen te staven. Dat oordeelde de president van het Amsterdamse hof mr. J.H.M. Willems gisteren tijdens de tweede zittingsdag van het hoger beroep dat was aangespannen door de voor tweevoudige moord veroordeelde ex-agent Martin H..

H. wordt ervan verdacht twee drughandelaren te hebben gedood; in maart '92 Tonnie Hijzelendoorn in zijn woning te Wilnis en in juni '91 Klaas Bruinsma voor de ingang van de Juliana's bar in Amsterdam. H. werd voor beide moorden veroordeeld tot een gevangenisstraf van twintig jaar. Gisteren diende voor het hof de zaak-Hijzelendoorn, afgelopen maandag diende de zaak-Bruinsma.

Volgens de Amsterdamse rechercheur die H. een etmaal na de moord op Bruinsma van huis haalde, vertelde H. dat Hijzelendoorn voor hem op de vlucht was. H. zou hebben gezegd: “Ik wacht tot Hijzelendoorn terug is, dan pak ik hem.” Deze verklaring werd door de rechercheur pas aan het dossier toegevoegd nadat Hijzelendoorn was vermoord. H. heeft steeds de bewuste opmerking ontkend. Ofschoon zowel de verdediging als de procureur-generaal er bij het hof op aandrongen de oorspronkelijke notitie boven water te halen oordeelde de president dat hij daarvoor “geen behoefte laat staan noodzaak” voelde.

De advocaat van de veroordeelde ex-agent, mr. J. Boone, sprak er zijn verontrusting over uit dat het hof “alle politiemensen onder ede absoluut betrouwbaar” vindt. “Terwijl meermalen is gebleken dat rechtbanken terecht twijfelen aan uitspraken van politiemensen.”

H. gaf voor het hof uitgebreid opening van zaken. Voor de rechtbank had hij zich steeds op zijn zwijgplicht beroepen. Hij erkende bij Hijzelendoorn thuis te zijn geweest. Hijzelendoorn had kort tevoren gezegd dat hij 100 kilo hasj van H. wilde kopen. Op de avond van zijn moord vroeg Hijzelendoorn of H. hem geld kon lenen. Uit getuigenverhoren bleek dat Hijzelendoorn die avond bij diverse mensen geld had willen lenen.

De rol van de kroongetuige in de zaak-Bruinsma, Steve Brown, kwam ook bij de behandeling van de zaak-Hijzelendoorn ter sprake. H. vertelde dat hij aan Brown 40.000 gulden had geleend en dat ook een compagnon van Brown, Rob O., bij hem in het krijt stond. Zowel Brown als O. hebben bezwarende verklaringen tegen H. afgelegd. Brown heeft onlangs voor de televisie verklaard dat hij gemeente en rijk voor miljoenen heeft opgelicht. Brown, die naar de VS is gevlucht en O. zijn door de verdediging opgeroepen om te getuigen, maar volgens het openbaar ministerie zijn beiden onvindbaar.

Boone wees erop dat de printlijsten van de autotelefoons (ATFs) het verhaal van H. bevestigde en dat van Brown ontkrachtte. Ook de bewering van Brown, dat hij door H. na een woordenwisseling zo met een vuurwapen op zijn hoofd was geslagen, “dat hij het bloed langs zijn gezicht voelde stromen”, werd door een ooggetuige met klem ontkend. Boone vroeg daarom om opheffing van de voorlopige hechtenis van zijn cliënt. Willems wees het verzoek van Boone af. Het hoger beroep wordt 10 mei voortgezet.