Turkije maakt haast met afbraak tariefmuren voor import uit de EG

ANKARA, 9 APRIL. Turkije zet vaart achter de plannen voor een douane-unie met de Europese Gemeenschap. Met ingang van dit jaar worden fasegewijs de invoertarieven van 18.500 categorieën importgoederen verlaagd om alsnog de streefdatum van 1 januari 1996 te halen. Een operatie die in de Turkse pers treffend "de 1000-dagen marathon' wordt genoemd.

Volgens Michael Lake, EG-ambassadeur in Ankara, markeren de nieuwe importregels een breuk met het verleden, waarin Turkse goederen (afgezien van textiel) ongehinderd naar de EG konden worden geëxporteerd, terwijl voor de import van EG-goederen naar Turkije "illegale' tariefmuren golden, die nu worden afgebroken. Wat Brussel vooral stoorde was dat er in Turkije geen onderscheid werd gemaakt tussen de handel uit de EG en derde landen. Het nieuwe importregime breekt met die traditie.

Volgens berekeningen van de EG-vertegenwoordiging in Ankara behoeft voor de invoer van 489 belangrijkste industriële goederen (62 procent van de totale handel) van de EG-landen naar Turkije met ingang van dit jaar 6,3 procent minder importbelasting te worden betaald (was 21,59 procent, is nu 15,21 procent), terwijl dat percentage voor de 63 belangrijkste agrarische produkten 7,5 is gedaald (was 69,79 procent, nu 62,29 procent).

Waar Brussel nog tegenaan hikt, is dat de regering-Demirel niet bereid is het Mass Housing Fund, een fonds waaruit sociale woningbouw wordt gefinancierd, op te heffen. Het geld voor het fonds wordt verkregen uit importheffingen. Ankara vangt hierdoor jaarlijks tussen de 1,5 en 2 miljoen dollar aan inkomsten. Aangekondigd is dat deze extra importheffing in 1998 zal worden beëindigd, maar Brussel staat er vooralsnog op dat die datum naar 1996 wordt verlegd. “Anders kan er geen sprake zijn van een douane-unie”, meent Lake. “De EG is niet langer bereid overgangsregelingen voor Turkije te treffen. In principe kan dat ook alleen maar voor de agrarische sector”, aldus de EG-ambassadeur.

Het idee van een douane-unie tussen Turkije en de EG stamt uit 1963. In het Verdrag van Ankara, dat Turkije geassocieerd lid maakte van de EG, is het beginsel van vrij verkeer van goederen tussen de landen van de Gemeenschap en Turkije vastgelegd. In het additionele protocol van 1970, dat pas in 1973 in werking trad, zijn de richtlijnen aangegeven. Daarin wordt uitgegaan van twee tijdschema's: 12 en 22 jaar.

De afbraak van de douanetarieven in Turkije liep van het begin af aan traag. Na de militaire staatsgreep in september 1980 werd de relatie met Brussel zelfs min of meer bevroren. Ankara had het bovendien veel te druk met de economische hervormingen, die in januari 1980 werden afgekondigd. De handelstekorten en de buitenlandse schulden waren aan het eind van de jaren zeventig zo hoog opgelopen, dat internationale financieringsorganisaties en particuliere banken niet langer bereid waren om aan de vraag naar buitenlandse kredieten te voldoen.

De voorwaarde voor verdere hulp was dat de Turkse economie ingrijpend moest worden gewijzigd. Onder de leiding van het Internationale Monetaire Fonds (IMF) stelde de toenmalige minister van economie, Turgut Özal, die nu president is, een bezuinigingsprogramma op dat was gebaseerd op een heroriëntatie van de Turkse economie. Directe overheidsregulaties en -controles werden op de helling gezet en het vrije-marktmechanisme werd het uitgangspunt van het nieuwe economische beleid.

Toen aan het eind van de jaren tachtig - vooral met het oog op de algemene verkiezingen in 1991 - de scherpe kantjes van het stabiliseringsprogramma werden afgevijld, kregen ook de EG en Turkije weer oog voor elkaar. Om de verloren tijd in te halen lanceerde premier Süleyman Demirel, die eind 1991 samen met de sociaal-democraten een coalitieregering had gevormd, de voorstellen voor het nieuwe importregime. Volgens Cem Duna, de permanente vertegenwoordiger van Turkije bij de EG, biedt de douane-unie Turkije een “gouden kans” om de aansluiting met Brussel te bevorderen, terwijl het er de Turkse ondernemers aan de andere kant toe dwingt om in korte tijd de kwaliteit en prijzen van hun goederen aan de Europese normen aan te passen. Turkije heeft in 1987 de aanvraag ingediend om volledig lid te worden van de EG, maar Brussel heeft Ankara voorlopig in de wachtkamer gezet. Het idee in Ankara is dat als de douane-unie in 1996 een feit wordt, Turkije de facto tot de EG behoort. “Wat de kansen op het lidmaatschap drastisch bevordert”, aldus Duna.

Europa is voor Turkije inmiddels de belangrijkste afzetmarkt. Rond de 53 procent van de totale Turkse export gaat naar de twaalf EG-landen, waarvan 46 procent uit textielgoederen bestaat. Van de totale Turkse textieluitvoer heeft zelfs 75 procent de EG als bestemming. Tot vorig jaar was Turkije zelfs de grootste textielleverancier van de EG, een positie die nu in handen is van China. De belangrijkste troefkaart van Brussel om Turkije tot een douane-unie te dwingen, is dan ook de uitvoer van textiel naar de EG. Die is nu aan beperkingen gebonden, waarvoor tweejaarlijks afspraken worden gemaakt tussen Brussel en Ankara. De Turkse textiel vormt een belangrijke concurrentie voor de relatief zwakke EG-landen Griekenland, Italië en Portugal.

In ondernemingskringen in Turkije - zowel bij de grote familie-ondernemingen als in het midden- en kleinbedrijf - is kritiek op de haast waarmee de regering-Demirel de douane-unie nu gestalte geeft. Een aantal sectoren, bij voorbeeld de auto-industrie en die van consumenten-elektronica, kunnen de concurrentie met de internationale markt nog steeds niet aan. Dat is de belangrijkste reden dat voor 102 goederen in de automobielsector de huidige importtarieven nog een jaar worden gehandhaafd. De Turkse auto-industrie is verre van geavanceerd en brengt - in licentie - modellen op de markt voor hoofdzakelijk binnenlands gebruik. “Door de douane-unie worden de Turkse ondernemers er via een achterdeur nu toe gedwongen hun industriële apparaat te moderniseren”, aldus een Westerse diplomaat. “En dat brengt de nodige pijn met zich mee.”

Een ander probleem waar Turkije de komende jaren een oplossing voor moet zoeken is de bescherming van het intellectueel eigendom. De eerste, aarzelende voorstellen voor een patentwetgeving worden nu besproken, maar de weerstand is groot. Met name vanuit de farmaceutische industrie, die niets investeert in onderzoek naar nieuwe medicamenten, maar snel verouderde licenties in het buitenland aankoopt. Zij probeert de regering er nu van te overtuigen dat er een overgangsregeling moet komen, op basis waarvan de uitloop voor de nieuwste produkten tot zeventien jaar kan oplopen.