Tom Lanoye over liefde, het Vlaams blok en columns; Een rauwe lach om Belgie

De Antwerpse dichter, performer, satiricus, verhalenschrijver en romancier Tom Lanoye (34) bewerkte Gerard Walschaps roman Celibaat tot een toneelstuk dat ook in Nederland te zien zal zijn. Hij beschouwt het boek in de eerste plaats als een metafoor voor Vlaanderen. De deelstaat vervult hem met afschuw en bewondering. “Wat Nederlanders voor hoffelijkheid en vriendelijkheid van Vlamingen aanzien is, als je het negatief wilt stellen, achterbaksheid en gezagsgetrouwheid,” vindt hij.

Tom Lanoye: Alles moet weg (roman). Uitg. Bert Bakker, 1988

-: Kartonnen dozen (roman). Uitg. Prometheus, 1991

-: Doén! (columns). Uitg. Prometheus, 1992

-: Celibaat (toneelstuk). Verschijnt binnenkort bij uitg. Manteau.

Gerard Walschap: Celibaat (roman, 1934). Uitg. Manteau, 1993.

Celibaat door TheaterTeater is in Nederland te zien in: Maastricht, Toneelakademie, 29/4; in Arnhem, Stadsschouwburg, 6/5; in Groningen, Stadsschouwburg, 7/5. Voor voorstellingen in Vlaanderen: tel. 09-3232-350490.

Eindeloze colonnes vrachtwagens denderen voort door de Belgische Kempen, langs chemische fabrieken en industriëlenvilla's, langs een pretpark en een kerncentrale, langs een autokerkhof en een militaire begraafplaats met duizenden identieke kruisen. Een dergelijk landschap, getekend door oorlogen en uit de hand gelopen nijverheid, beschrijft Tom Lanoye in zijn roman Alles moet weg (1988), waarin een eenzame verkoper in zijn Ford Transit over de Vlaamse snelwegen raast. Wij zijn in een gehuurde Mercedes op weg naar Cultureel Centrum De Dommelhof in Neerpelt. Daar zal Lanoye's toneelstuk Celibaat gespeeld worden, een bewerking van de gelijknamige roman van Gerard Walschap.

Walschap schreef Celibaat aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog, op het moment dat een deel van de Vlaams-nationalistische burgerij een hevige flirt met het machtige Duitsland aanging. Dat had men al eerder gedaan, in de vorige wereldoorlog. In zijn roman schildert Walschap een broeierige Vlaamse gemeenschap, psychisch beschadigd door de rigide moraal van de Kerk - een ideale voedingsbodem voor fascistoïde fantasiëen. Ook laat de roman zich lezen als een universeel verhaal over de misvorming van het individu door de dwang van buitenaf.

Met het oog op de voorspelde files zijn de vijf spelers van TheaterTeater al uren van tevoren vanuit hun thuisbasis Mechelen naar Neerpelt vertrokken. De voorstelling in De Dommelhof komt wat moeizaam op gang, met een ouderwetse proloog in blanke verzen en een drievoudige sterfscène waarin de stervenden letterlijk hun kaars uitblazen. Maar de sfeer van het stuk is precies zoals die wezen moet: broeierig, triest en verontrustend. Zoals Walschap weinig woorden nodig heeft om veel te zeggen, zo volstaat TheaterTeater met een minimum aan theatrale middelen. Op twee kale banken zit de gemeenschap en midden op het podium, op een veel te klein stoeltje, troont de zwijgzame hoofdpersoon.

Wereldconflict

Daags na de voorstelling in Neerpelt ontmoet ik Tom Lanoye in een zonovergoten café te Antwerpen, schuin tegenover het Museum voor Schone Kunsten. In deze feestelijke omgeving, heel anders dan in de desolate Kempen, lijkt het even alsof er niets aan de hand is met België en de wereld. Maar Tom Lanoye - ernstige bruine ogen achter een speels brilmontuur - is op het ergste voorbereid. Het zal hem niets verbazen wanneer hij binnenkort een groot wereldconflict zal meemaken - waarom zou zijn generatie van oorlog verschoond blijven? Zijn grootvader heeft de Eerste Wereldoorlog nog meegemaakt. De oude slager moest toen in zijn dorp de gewonde dieren afmaken zodat die tenminste nog gegeten konden worden.

Tom Lanoye beschouwt Celibaat in de eerste plaats als een metafoor voor Vlaanderen. “Onderdrukking, bezetting en oorlog tekent de mensen die leven in dit gebied. Dat verankert zich in de cultuur, in een mentaliteit - hoe Vlamingen omspringen met de macht bijvoorbeeld. Wat Nederlanders voor hoffelijkheid en vriendelijkheid aanzien is als je het negatief wilt stellen achterbaksheid en gezagsgetrouwheid.” In zijn toneelbewerking voorziet Lanoye het hoofdpersonage André d'Hertenfeldt, bijgenaamd Het Heerken, van een bolhoed, een symbool dat ook op de doeken van typisch Belgische kunstenaars als Magritte en Delvaux te vinden is. Het is het symbool van de burgerman.

Machtshonger

“Het Heerken is een burger met een groot sadisme en grote machtshonger, wat in gezelschap omslaat in zielige meegaandheid. En hoe meer hij de mensen haat, hoe verkrampter hij is in de omgang, des te meer gaan die mensen denken dat hij een goed en bescheiden mens is; ze benoemen hem zelfs tot burgemeester. Het is voor hem doodvermoeiend om steeds een rol te spelen, dat lukt hem ook niet zo best. Pas op het moment dat de oorlog uitbreekt en Het Heerken naar het front trekt, voelt hij zich prettig, in een orgie van pijn, een orgie van grootheid. Hij wil sterven, maar hij blijft in leven. Een oude vrouw verzorgt hem, zij laat zich niet afschrikken door zijn verminking, voor hem betekent haar liefde een wedergeboorte. Vol mooie plannen keert hij terug naar zijn geboortegrond, terug naar zijn schuchtere verloofde Ursule. Daar blijkt dat de anderen door de oorlog ook verminkt zijn zonder veranderd te zijn, dat het te laat is om met Ursule te trouwen en een gelukkig leven te leiden. Zijn loutering heeft geen zin gehad.”

In de toneelbewerking spreekt Het Heerken (Herman Gilis) steevast in de hij-vorm over zichzelf. Pas aan het eind van de oorlog, wanneer hij met een aan flarden geschoten gezicht uit de loopgraven komt, stapt hij op de ik-vorm over. Lanoye: “In zijn verminking vindt hij eindelijk een manier om zich uit te spreken. Het hele stuk gaat over spreken en niet spreken, over het dragen en afrukken van maskers, over acteren en niet acteren.” Lanoye noemt Celibaat een cynisch drama omdat de belangrijkste personages allemaal tegen wil en dank celibatair zijn. “De titel verwijst uiteindelijk ook naar de condition humaine: de absolute eenzaamheid.”

Is Het Heerken, vóór zijn verminking althans, niet in staat tot liefhebben, de circa achttienjarige hoofdpersoon in Lanoyes autobiografische roman Kartonnen dozen (1991) heeft juist veel te hevig lief. “Nooit zag ik roder lippen, nooit een mooier lijf”, schrijft de ik pathetisch over zijn schoolvriend Z. “Homoseksualiteit”, verzekert Tom Lanoye, “is niet het thema van Kartonnen dozen. Want het probleem dat men daar mee had is een probleem van de jaren zeventig en geen universeel probleem. Universeel is het thema van de onbereikbare jeugdliefde. Het geijkte stramien luidt: twee goede jeugdvrienden zijn allebei verliefd op hetzelfde beeldschone meisje. De ene vriend krijgt haar en de ander wordt later schrijver. Maar in mijn verhaal heb ik in één en dezelfde persoon mijn jeugdliefde èn een goede vriend verloren. Dat is blijkens de reacties heel klassiek voor homoseksuelen, dat dubbele gevoel waar je geen raad mee weet... Je misbruikt een vriendschap om die onbereikbare liefde toch van dichterbij te kunnen meemaken.” Peinzend zegt hij: “Liefde is voor mij nog altijd de kanalisering van de geslachtsdrift. Zoals cultuur de kanalisering van agressie is.”

Mussolini

Op het Sint-Jozef-Kleinseminarie in Sint-Niklaas had Lanoye les van de Vlaams-nationalistische dichter Anton van Wilderode. In Kartonnen dozen noemt hij hem Mussolini en daarin beschrijft hij deze man en zijn geestverwanten als volgt: “Ze waren zo lang de underdog geweest dat ze niet anders meer konden dan de underdog te spelen, en om zichzelf te doen helpen geloven in die maskerade kwamen ze één keer per jaar allemaal samen staan zwaaien met gezwollen woorden en versleten vaandels, en hun knapen en hun meiden die Gerolf en Godelieve heetten, schreden over het podium naar voren en evokeerden door houterig ballet de Slag der Gulden Sporen [-] en iedereen zong met tranen in de ogen het Vlaams Volkslied, en ook dat van de volken waarvan men beweerde dat het onze bloedbroeders waren, de Hollanders en de Zuidafrikaanse Boeren. [-] Voor deze processie schreef Mussolini de teksten.” Nu zegt Lanoye over deze leraar: “Ik bewonder die man en ik ben hem heel dankbaar om zijn inspirerende lessen, maar tegelijk gruw ik van zijn fascistoïde opvattingen. Het is geen frisse cultuur waarin ik ben opgegroeid, maar moet ik er dan over zwijgen? Niemand ontsnapt aan zijn afkomst. Je kunt hooguit proberen ermee af te rekenen, op een zo divers mogelijke manier. Vlaanderen vervult mij met afschuw en bewondering; ik schrijf over het banale en het verhevene, het grootse en het gewone dat ik hier tegenkom.”

Even brutaal als intelligent zijn Lanoye's satirische columns in het Vlaamse weekblad Humo, waarvan de opmerkelijkste in het boekje Doén! (1992) gebundeld werden. Bovenaan de lijst met zaken waaraan Lanoye zich ergert, prijkt, samen met homohaat, corruptie en schijnheiligheid, het Vlaamse Blok, de partij die in 1988 met de slogan 'Eigen volk eerst' de Antwerpse gemeenteraadsverkiezingen won. Lanoye: “Wanneer een politicus als Filip Dewinter beweert: "Het is onmogelijk om tegelijk Vlaming en islamiet te zijn', dan mòet ik daar op reageren. Ik heb absoluut geen bezwaar tegen iemand die islamiet is en Vlaming tegelijk. Daar neem ik akte van en vervolgens bestaat het.” Je moet het Vlaams Blok nu ook weer niet demoniseren, vindt hij; de populariteit ervan is volgens hem vooral een begeleidend verschijnsel bij de totale ineenstorting van het ancien régime. Hij zegt dat hij niet bang is om door leden van het Vlaams Blok in elkaar geslagen te worden: “Daar zullen ze hun energie niet zo gauw aan verspillen; ik ben te onbelangrijk voor die lui.”

Ruig

Tom Lanoye constateert een groot verschil tussen de Nederlandse en de Vlaamse column. “De archetypisch Hollandse column is gegrondvest op een dominees- en discussiecultuur, op een vanzelfsprekende, rustige monocultuur, die alleen maar door een paar bezettingen verstoord geweest is. De archetypisch Vlaamse column gaat terug op harde, ruige teksten als Van-den Vos Reinaerde en Tijl Uilenspiegel. Wanneer is in Nederland de grondwet voor het laatst gewijzigd? In België gebeurt dat bijna ieder jaar. Hier heerst geen vanzelfsprekende zekerheid over de democratie. Hier houdt men er rekening mee dat er surrealistische compromissen gesloten worden. Dat is het resultaat van honderdvijftig jaar Belgische staat jaar plus honderden jaren lange bezetting. En hoe reageer je daarop? Met een rauwe lach, de rauwe, niets ontziende satire.”

Er verschijnt schuim op zijn lippen wanneer hij het over de "culturele Rambo's' heeft: “mensen met een sleutelpositie in het culturele leven die roepen dat zij de kunst komen redden. In werkelijkheid schuiven zij zichzelf op de voorgrond en de kunst naar het tweede plan. Wie is het gezicht van "Het literaire luik van Antwerpen 93'? Bart Verschaffel, een professor in de filosofie, en niet Paul van Ostaijen, een literair fenomeen van internationaal niveau. Terwijl het natuurlijk omgekeerd zou moeten zijn. Nog een voorbeeld. De Blauwe Maandag Compagnie brengt een bijzonder goed, degelijk theater. Maar hier in Antwerpen komt de Blauwe Maandag Compagnie niet spelen, omdat zij niet in het profiel van diverse Antwerpse theaters zou passen. Zo creëer je een publiek dat op voorhand op een bepaald soort theater af komt - voorspelbaarder en saaier kan het niet. Elk theater zou juist voor heel veel verschillende richtingen moeten openstaan. Theater is, net als literatuur, de ritualisering van alles wat de mensen bezighoudt. Die ritualisering troost mij en daarom schrijf ik ook. Maar kunst is voor mij geen vervangende godsdienst, er is niets dat het leven van zijn banale kanten kan afhelpen.”