Steil trappetje

Er is een tijd geweest dat Rem Koolhaas niet bouwde. Wel schreef hij toen een boek en nam hij deel aan prijsvragen, maar tot echte bouwwerken leidde dit nooit. Hij was een "papieren architect', liet een groot deel van de Nederlandse kritiek nooit na te schrijven als het over Koolhaas ging.

Domus. 76ste jaargang, nummer 747 (maart 1993). Prijs ƒ 35,-

Nu al weer jaren bouwt Koolhaas wel, vrij veel zelfs. Maar de Nederlandse kritiek reageert nog steeds zuinigjes. Goed, Koolhaas heeft ook in Nederland zijn bewonderaars, maar veel critici kunnen nog steeds geen goed woord over hun lippen krijgen over zijn werk. Zo schreven Hilde de Haan en Ids Haagsma een parodiërende "lovende' bespreking in De Volkskrant over de Kunsthal in Rotterdam, lang voordat dit laatste gebouw van Koolhaas was voltooid. En in deze krant wond Max van Rooy zich op over een smal en steil trappetje bij de garderobe van de Kunsthal waar de bezoekers van aftuimelden.

Nederland is niet echt trots op Koolhaas. In het buitenland hebben de critici minder reserves tegenover zijn werk. Dit blijkt weer eens uit het maartnummer van Domus, het kloeke Italiaanse maandblad over vormgeving en architectuur dat in 1928, toen Mussolini Italië nog regeerde, werd opgericht. Het is een beetje een Nederlands nummer, want naast onder meer een bijdrage van Herman Kerkdijk die de door Giorgio Grassi ontworpen nieuwe openbare bibliotheek in Groningen bespreekt, bevat de Domus van maart een uitgebreide recensie van de Kunsthal, geschreven door Kenneth Frampton, hoogleraar aan de Newyorkse Columbia University en verbonden aan het Berlage-instituut in Amsterdam.

Frampton noemt het gebouw "een rigoureus architectonisch werk' en een terugkeer naar "het heroïsche moment van de moderne beweging toen structuren poëtisch werden geïnspireerd door hun programma's.' De Kunsthal doet Frampton denken aan Le Corbusier en Mendelsohn. (Deze associatie met vooroorlogse modernisten zal hem waarschijnlijk niet in dank worden afgenomen door Koolhaas, die zijn jongere collega's graag mag kapittelen over hun onbekommerde gebruik van het modernisme uit het interbellum).

Kritiek heeft ook Frampton wel. Op het restaurant bij voorbeeld, dat niet genoeg openingen naar het terras heeft, en op het materiaalgebruik, vooral in de doorschijnende plastic wand, die "merkwaardig gevangen lijkt tussen koele ambachtloze techniek en een soort moedwillig gebruik van goedkoop materiaal dat naar alle waarschijnlijkheid de tand des tijds niet zal doorstaan'. Maar dit weerhoudt er hem niet van zijn bespreking te beëindigen met de woorden: “Dit is Nederland op zijn best en voor één keer heeft postmodern Rotterdam een bescheiden maar vitaal gebouw voortgebracht dat zijn heroïsche naam waardig is.”