Pronk moet vizier richten op handelsbarrières

Minister Pronk van ontwikkelingssamenwerking, die zichzelf nog niet zo lang geleden omschreef als een burgemeester in oorlogstijd, verzet zich dezer dagen uit alle macht tegen nieuwe aanslagen op zijn budget. Hoe energiek de geplaagde bewindsman zich echter ook verzet en nieuwe afspraken met zijn collega-ministers maakt, hij blijft in het defensief.

Ook zijn partijgenoot en minister van financiën Kok wilde hem vorige week bij een spreekbeurt op een studiedag over Afrika in Rotterdam niet de garantie geven dat er niet verder zou worden gemorreld aan het ontwikkelingsbudget. Wel beloofde Kok plechtig al het mogelijke te zullen doen dat te vermijden.

Dat klonk niet al te hoopvol voor Pronk. Misschien wordt het, gelet op het huidige klimaat, tijd voor de minister om op een ander front een tegenaanval in te zetten. “Als ik minister van ontwikkelingssamenwerking was”, aldus Louis Emmerij, een veteraan op het gebied van de ontwikkelingssamenwerking die tegenwoordig werkt voor de Inter-Amerikaanse Ontwikkelingsbank in Washington, “en ik zou te horen krijgen dat ik nog meer moest bezuinigen op mijn begroting, dan zou ik zeggen: dat wil ik eventueel wel doen, maar dan verlang ik dat de collega's op andere ministeries zoals Landbouw en Economische zaken de handelsbarrières voor de Derde wereld serieus helpen opruimen. Natuurlijk zouden die mij dan naar Brussel verwijzen maar dan zou de Nederlandse regering zich daar sterk moeten maken voor de toegang van de Derde wereld tot de Europese markt.” Volgens Emmerij is de leuze "trade, not aid' weer zeer actueel

Feit is dat de inkomsten die de ontwikkelingslanden derven als gevolg van Westers protectionisme aanzienlijk hoger zijn dan de totale waarde van de ontwikkelingshulp. Michel Camdessus, directeur van het Internationaal Monetair Fonds (IMF), schatte het gederfde bedrag onlangs op 130 miljard dollar terwijl de totale ontwikkelingshulp op dat moment 55 miljard beliep. Bij dat laatste bedrag moet echter worden aangetekend dat in de praktijk vaak weinig van het uitgetrokken geld in de ontwikkelingslanden belandde. Van de Italiaanse hulp, zo bleek bijvoorbeeld onlangs, bereikte beduidend minder dan de helft uiteindelijk de Derde wereld.

Op diezelfde bijeenkomst in Rotterdam gaf Kok het voorbeeld van Westafrikaanse veehouders die hun vlees aan de straatstenen niet kwijt kunnen als gevolg van zeer goedkope importen uit de EG. Door vorstelijke subsidies is de prijs van de EG-vleesprodukten geheel vertekend. Een vermindering van de EG-subsidies zou de betreffende Westafrikanen in de gelegenheid stellen op eigen benen verder te gaan.

Steeds meer ontwikkelingslanden en arme landen van het vroegere Oostblok - Zuid en Oost staan hier tegenwoordig dikwijls zij aan zij - dringen er bij het Westen en in het bijzonder de EG op aan oude tariefmuren te slechten. De Amerikanen en Canadezen tonen zich met hun Noordamerikaanse Vrijhandelsgebied (NAFTA), waarvan ook Mexico deel uitmaakt, op dit terrein moediger dan de Europeanen.

Jarenlang hebben de Westerse landen geëist dat de ontwikkelingslanden hun grenzen zouden opengooien voor buitenlandse produkten en dat ze zich blootstellen aan de internationale marktverhoudingen. Sommige landen onderwierpen zich, al dan niet met succes, aan keiharde IMF-programma's om economisch weer levensvatbaar te worden. Dat diezelfde ontwikkelingslanden zich opgelicht voelen, nu veel Westerse landen zelf de schone principes van vrije toegang tot hun markten niet willen toepassen, spreekt vanzelf. De Westerse vos blijkt een onoprechte passie te hebben gepreekt.

Ook de Nederlandse politiek heeft zich tot nu toe niet onderscheiden op dit terrein. Al te gemakkelijk kan men zich verschuilen achter andere onwillige lidstaten van de EG. Toen de Nederlandse metaal-industrie werd bedreigd door importen uit Oost-Europa schaarden CDA en VVD zich onlangs zonder veel aarzelen achter de protectionistische pleidooien van onder meer Hoogovens. De PvdA en D66 waren iets terughoudender maar van sympathie voor de legitieme Oosteuropese belangen was ook bij hen nauwelijks sprake. In plaats daarvan gaat de discussie in Nederland vooral over het verlenen van hulp aan Oost-Europa.

Het geringe enthousiasme in Nederland voor het afschaffen van de handelsbarrières voor ontwikkelingslanden is niet moeilijk verklaarbaar. De toch al in problemen verkerende Nederlandse industrie ziet uiteraard niet graag nieuwe concurrenten opduiken. Ook heeft diezelfde industrie een niet onaanzienlijk belang in de ontwikkelingshulp. Talloze projecten worden immers aan Nederlandse firma's uitbesteed. Voor de Nederlandse bedrijven snijdt nu, met enerzijds protectie en anderzijds een part van de ontwikkelingshulp, het mes van twee kanten. Ook de sterke landbouwlobby voelt zich niet onbehagelijk bij de status quo.

Het uitgebreide circuit van Nederlandse ontwikkelingsdeskundigen en actiegroepen legt al evenmin veel nadruk op de liberalisering van de handel. Liever zien ze de handhaving van het bestaande niveau van de hulp of zelfs uitbreiding daarvan, uiteraard onder het motto dat dat in het belang van de Derde wereld is. Dat een vermindering van de hulp niet per definitie ten koste van de ontwikkelingslanden hoeft te gaan, lijkt in deze kringen een onwelkome boodschap.

De opstelling van de politici komt op dit punt meestal overeen met die van de belangengroepen. Daarbij beseffen zij dat het verlenen van hulp aan de buitenwereld de Nederlanders een prettig gevoel geeft van binnen. Zo blijven Nederland (en de EG) in de ontwikkelingslanden met de linkerhand nemen wat ze met de rechterhand geven.

Betekent dit alles dat er onbeperkt en straffeloos op ontwikkelingshulp kan worden gekort? Nee, zeker niet. Men moet zich rekenschap geven van de grote verscheidenheid in de ontwikkelingslanden. Kunnen Azië en Latijns-Amerika in toenemende mate op eigen kracht verder, zwart Afrika in het bijzonder blijft kwetsbaar. Het is geen toeval dat minister Pronk en het ontwikkelingscircuit in Nederland zich de laatste tijd op Afrika concentreren. Daar is voor hen het meeste te doen. Het is niet moeilijk te voorspellen dat het zwarte continent ook de komende jaren nog veel noodhulp nodig heeft. Daarnaast behoeft het op grote schaal steun in de vorm van kredieten om de zeer gebrekkige infrastructuur te verbeteren, de eigen landbouwproduktie te stimuleren en zo mogelijk wat industrie op poten te zetten.

Maar ook in Afrika geldt dat de Westerse landen de plaatselijke bevolking een grote dienst bewijzen door de markt bij voorbeeld niet meer met onze eigen zwaar gesubsidieerde landbouwprodukten te overspoelen. Als Afrika door het wegvallen daarvan meer op eigen benen moet en kan staan, wordt de behoefte aan hulp minder en - hoewel dat soms wordt vergeten - dat is nog steeds het uiteindelijke doel van alle ontwikkelingswerk.

Minister Pronk heeft zich internationaal faam verworven als een onvermoeibare voorvechter van hulp aan de Derde wereld. Als hij zich nu met dezelfde energie inzet voor het afbreken van handelsbarrières voor ontwikkelingslanden, zal hij nieuwe roem kunnen oogsten. Toegegeven, gezien het multilaterale karakter van de handelskwesties is dit een netelige opgave. Maar wil men op termijn de ontwikkelingslanden werkelijk helpen, dan valt hieraan niet te ontkomen.