Prijsafspraken?

Acht jaar geleden baarde de Europese Commissie veel opzien door 36 producenten van houtpulp boetes op te leggen die varieerden van 50.000 tot 500.000 ecu. Het bijzondere van die beslissing was dat geen van de beboete bedrijven in de Europese Gemeenschap was gevestigd; zij opereerden alle vanuit Zweden, Finland of Noord-Amerika. Dat de 36 bedrijven desondanks werden beboet, kwam omdat zij volgens de Europese Commissie ongeoorloofde prijsafspraken zouden hebben gemaakt over leveranties van houtslijp aan afnemers in de EG.

Deze beslissing lokte onder meer een debat uit over de territoriale werking van de Europese concurrentieregels: kan de Europese Commissie, zo voerden de betrokken producenten voor het EG Hof aan, zich zo maar de bevoegdheid aanmatigen boetes uit te delen voor eventuele concurrentiebeperkende gedragingen buiten het grondgebied van de EG, enkel en alleen wegens de economische weerslag die zulke gedragingen mogelijk binnen de EG hebben?

Dat kan de Commissie in bepaalde gevallen inderdaad, zo besliste het EG Hof vier jaar geleden. Als de toepassing van de Europese concurrentieregels afhankelijk zou zijn van de plaats waar ontoelaatbare afspraken worden gemaakt, dan is het mededingingsregime wel erg gemakkelijk te omzeilen, zo redeneerde het EG Hof. Beslissend is de plaats waar aan die afspraken uitvoering wordt gegeven. Is dat het grondgebied van de EG, dan kan de Europese Commissie tegen die afspraken optreden en dus ook boetes opleggen, ongeacht de vestigingsplaats van de betrokken ondernemingen. Deze uitspraak deed het EG Hof tussentijds, dat wil zeggen zonder zich uit te laten over de vraag of de Europese Commissie de 36 houtpulpproducenten terecht verweet ongeoorloofde prijsafspraken te hebben gemaakt.

Ruim vier jaar na deze tussen-uitspraak heeft het EG Hof vorige week zijn eindoordeel geveld. En dat oordeel moet evenzeer opzien baren: het Hof heeft namelijk geen spaan heel gelaten van de beslissing van de Europese Commissie en nagenoeg alle uitgedeelde boetes vernietigd. Als men op de ruim veertig pagina's tellende uitspraak van het EG Hof mag afgaan, dan heeft de Commissie zo ongeveer alles fout gedaan wat maar verkeerd had kunnen worden aangepakt.

Zo is een gulden hoofdregel dat geen boetes mogen worden opgelegd voor gedragingen waarover de betrokken partijen niet tevoren zijn gehoord. De achterliggende gedachte is dat men zich tegen verwijten van de Europese Commissie behoorlijk moet kunnen verdedigen. Heeft de Commissie tegen bepaalde praktijken bezwaren, dan moet zij die eerst schriftelijk aan de betrokken partijen voorleggen, zodat deze verweer kunnen voeren. In het geval van de houtpulpproducenten had de Commissie aanvankelijk bezwaren aangevoerd tegen de onderlinge afstemming van de per kwartaal aan afnemers in de EG op te geven prijzen. Maar in haar eindbeslissing had de Commissie ook boetes uitgedeeld voor het onderling afstemmen van de daadwerkelijke transactieprijzen. Met de producenten bleek ook het Hof van oordeel dat de Commissie had nagelaten tijdig duidelijk te maken dat ook dit verwijt in het geding was.

Verder constateerde het EG Hof dat de Commissie bij haar bewijsvoering allerlei telexen en andere documenten had betrokken, maar dat zij in haar beslissing niet duidelijk had aangegeven welke conclusies zij daaraan nu precies voor welke producent en voor welke periode verbond. Daartoe uitgenodigd door het EG Hof kon de Commissie ook tijdens de procedure niet duidelijk maken wat nu de betekenis was van het "bewijsmateriaal'. Daarop besliste het EG Hof dat alle telexen en andere documenten niet tot de bewijsvoering konden worden toegelaten. Wat aldus overbleef, was een niet nader onderbouwde klacht dat de betrokken houtpulpproducenten min of meer gelijktijdig elk kwartaal dezelfde prijzen (voor de EG) bekendmaakten die zij voornemens waren hun afnemers in rekening te brengen.

Voor de praktijk niet zonder belang is dat het EG Hof in dit opzicht uitdrukkelijk heeft beslist dat een systeem waarbij producenten elk kwartaal tevoren hun prijzen aankondigen, op zichzelf nog niet in strijd is met het Europese mededingingsrecht. Wel daarmee in strijd is het wanneer producenten de hoogte van hun prijzen coördineren. Maar hoe bewijs je dat? In dit geval had de Commissie - afgezien van de telexen en documenten die het EG Hof ecarteerde - geen ander bewijs dan de stelling dat er wel coördinatie móést zijn, omdat anders niet verklaarbaar was waarom de producenten elk kwartaal dezelfde prijzen bekendmaakten. Die stelling nu heeft het EG Hof - en ook dat is opzienbarend - aan externe deskundigen voorgelegd met de vraag of, gelet op de bijzonderheden van de houtpulpmarkt, coördinatie tussen de betrokken producenten de enige verklaring kan zijn voor het bestaan van uniforme prijzen. Die vraag hebben de experts vervolgens ontkennend beantwoord. En daarin heeft het EG Hof aanleiding gezien te beslissen dat de Commissie niet het bewijs heeft geleverd dat de houtpulpproducenten hun periodiek aangekondigde prijzen onderling hebben afgestemd. Zo is de Europese Commissie alsnog de grote verliezer geworden van een juridische gevecht dat zij - vier jaar geleden - bijna zeker leek te gaan winnen.