Pollie in het verkeer

Het is een stom weekend. Mijn moeder zit al een uur tentamens na te kijken.

Mijn vader is aan het fluitstuderen. En ik verveel me. Eigenlijk moet ik nu oefenen met mijn langebeenbeugels. Of huiswerk maken. Maar daar heb ik geen zin in. Volgende week heb ik een repetitie economie. Over verzekeringen en assurantiebelasting. Met procenten, promielen en indexeringen. Dat vind ik pas echt balen. Ik begin er morgen wel aan. Vroeg genoeg. Zal ik mijn Franse werkwoorden vast gaan leren? Dan j'ai ik dat eu. Nee, dat kan vanavond wel. Dan maar piano spelen? Of computeren? Lezen? Ik heb net het nieuwste boek van Evert Hartman gekregen.

Ik kan mij niet concentreren. Mijn moeder brengt een kopje thee met een beschuitje aardbei. Zelfs daar heb ik niet zoveel trek in. “Ga lekker naar buiten,” zegt ze, “het is mooi weer.”

In de bomen fluiten de vogels. Ze zijn vrolijker dan ik. Ik rijd een blokje. Langs de plek waar ze Pollie hebben gevonden. Nu is er geen verkeer. Was het nu maar toen. Dan was er niks gebeurd.

Er speelt niemand buiten. Dan maar naar Robert. Maar die is naar een partijtje. Mijn jongste neefje Marc van twee is er wel. Hij vindt het leuk dat ik kom. “Mechielj isser,” roept hij wel tien keer. Hij springt op mijn schoot en stopt zijn hoofd zowat in mijn neus. “Pollie isse dood,” zegt hij en hij knikt er ernstig bij. “Pollie isse tege ootoe aangereedje.”

Ineens zie ik Pollie op een fietsje over de weg crossen. En dan moet ik toch een beetje lachen.