Paarse onthouding, vergulde extase; Het oververfijnde waarnemingsvermogen van Mario de Sa-Carneiro

Mário de Sá-Carneiro: De bekentenis van Lúcio. Vert. Harrie Lemmens. Uitg. De Arbeiderspers. 125 blz. Prijs ƒ 24,90

Het verzameld werk is te vinden in: Mário de Sá-Carneiro: A confissão de Lúcio, Poesias, Cartas a Fernando Pessoa en Céu em Fogo (novellen) Uitg. Atica, Lissabon (1973-1980) .

De verschijning van De bekentenis van Lúcio, van de Portugese schrijver Mário de Sá-Carneiro (1890-1916), is om verschillende redenen interessant. In de eerste plaats door de persoon van de schrijver. Terwijl de twee jaar oudere Fernando Pessoa bij ons een zekere faam heeft verworven, is misschien minder bekend dat Portugal in het begin van deze eeuw een generatie zeer bijzondere kunstenaars en schrijvers heeft voortgebracht, die zonder twijfel aanspraak mag maken op internationaal aanzien. Invloeden van het symbolisme, futurisme en expressionisme zijn terug te vinden in het werk van, naast Pessoa, de schilders Amadeo de Souza Cardoso (1887-1918) en Santa Rita Pintor (1890-1918), de schilder/ dichter/ provocateur/ performer-avant-la-lettre José de Almada-Negreiros (1893-1970), en Mário de Sá-Carneiro.

Deze laatste is, behalve om zijn werk, ook bekend als dè grote vriend van Pessoa, wellicht de enige echte vriend die Pessoa ooit heeft gehad. Van deze vriendschap getuigt een intense briefwisseling, die duurde van 20 oktober 1912 tot 26 april 1916, de datum van Mário's zelfmoord in Parijs - een correspondentie waarvan helaas alleen de brieven van de laatste zijn bewaard gebleven en die van Pessoa (op twee na) niet.

De brieven van Mário vormen een schrijnend "document humain', het dagboek van een koortsachtige ziel, die al vroeg beseft nooit een plaats te zullen vinden in het leven, een ziel in ondergang, die geen andere uitweg ziet om aan de obsessie van de leegte een eind te maken dan door een eind te maken aan het leven zelf. Terzelfder tijd vormen Mário's brieven ook een onschatbaar literair-historisch document. De Portugese literatuur had in die jaren twee "waarnemers' in Parijs, Santa Rita en Sá-Carneiro, die het thuisfront op de hoogte hielden van de laatste culturele ontwikkelingen. Vanaf zijn kennismaking met Pessoa, vermoedelijk in augustus 1912, tot aan het eind van zijn leven, verbleef Sá-Carneiro, met onderbrekingen, ongeveer twee jaar in Parijs, dus in de tijd van de erupties van surrealisme, kubisme, futurisme, dadasme, expressionisme en andere -ismen. In die jaren ook, tussen februari 1913 en februari 1916, schreef hij zijn gehele werk. Vooral via Mário's briefwisseling met Pessoa bereikte veel van het nieuwe ideeëngoed de Portugese literaire kringen, waar het zich entte op de in Portugal sterk florerende symbolistische traditie. Nieuwe -ismen waren het gevolg: een door Pessoa uitgedokterde "blend' van symbolisme en decadentisme werd gelanceerd als paulismo, zo genoemd naar de titel van het gedicht Pauis ("Moerassen'), dat begint met de vrijwel onvertaalbare versregel: “Moerassen, hunkeringen schurkend langs mijn ziel in goud...' Daarop liet Pessoa het "Intersectionisme' volgen, waarin technieken werden aangewend van het futurisme en zelfs het kubisme, terwijl de meest futuristisch/expressionistische stroming bekend zou worden onder de naam "sensationisme', gedefinieerd in het credo van Pessoa's heteroniem Alvaro de Campos: "Alles voelen op alle wijzen'. Campos en Sá-Carneiro zijn de meest uitgesproken exponenten van het sensatinoisme.

Terwijl Pessoa deze stromingen de een na de ander snel verwierp, kreeg Sá-Carneiro de tijd niet ze te verwerpen. Of liever: hij ging aan zijn eigen sensationisme kapot, aan zijn oververfijnde, zo niet overspannen zintuiglijk waarnemingsvermogen, dat hem tot aan de rand van de waanzin bracht (of, wie weet, tot werkelijke waanzin), tezamen met zijn frustratie, een ander te willen zijn èn onmachtig te zijn tot het aangaan van een relatie met de Ander.

Brandhaarden

Een tweede punt dat de verschijning van De bekentenis van Lúcio tot een belangwekkende gebeurtenis maakt, is dat alle hier vermelde aspecten in deze vrij korte vertelling te vinden zijn. Dat maakt het tot een in hoge mate "gedateerd' boek - hier uiteraard niet pejoratief te verstaan, maar in de zin dat het één van die boeken is waarin glashelder te lezen staat wat er in een bepaalde tijd in de literaire wereld om ging, in dit geval niet alleen in het eerste kwart van deze eeuw in Portugal, maar in heel Europa. Moskou, Parijs en Lissabon waren de brandhaarden van de nieuwe cultuur, waarin dit boek zijn plaats heeft.

Het verhaal (een man die minnaar wordt van de vrouw van zijn vriend) is op zichzelf niet veel meer dan aanleiding voor een exposé van Sá-Carneiro's eigen idiosyncrasieën, in een stijl die exemplarisch is voor de literaire smaak van de tijd.

Ook voor Sá-Carneiro, evenals Pessoa erfgenaam van het symbolisme, was de vraag naar de eigen identiteit het fundamentele thema. In De bekentenis van Lúcio voert Sá-Carneiro twee alter-ego's op, de ik-persoon (de toneelschrijver Lúcio Vaz) en zijn vriend, de dichter Ricardo de Loureiro. Het problematische dat voor Sá-Carneiro het "ik-zijn' vormt met betrekking tot het "de-ander-zijn' extrapoleert hij in deze twee personages. Al in het begin van hun vriendschap verklaart Ricardo dat hij "niemands vriend kan zijn'. Immers, vriendschap impliceert voor hem tederheid, en "tederheid brengt altijd het verlangen mee om te (-) bezitten! (-) Dus zou ik slechts bevriend kunnen zijn met iemand van mijn geslacht als die iemand of ikzelf van geslacht zou veranderen.'

Dit zijn vrijwel de woorden van Sá-Carneiro zelf, in een van zijn gedichten: “Ik ben niemands vriend. Om dat te zijn/ Zou ik eerst moeten bezitten/ Degene die ik liefheb - man of vrouw,/ En mij lukt het nimmer te bezitten!'

De "oplossing' van Ricardo voor dit probleem bestaat erin dat hij zijn vrouw aanspoort met zijn vrienden naar bed te gaan, om aldus, door het gemeenschappelijk bezit van de vrouw, ook de Ander te bezitten. De ontknoping, na het fatale pistoolschot, is tè verrassend om niet te verzwijgen.

Het meest kenmerkende van Sá-Carneiro's taalgebruik is het stijlmiddel van de synesthesie, de verbinding van waarnemingen uit verschillende zintuiglijke sferen. Het was één van de consequenties van het paulismo (waarvan Sá-Carneiro een trouwer volgeling was dan Pessoa zelf) om bij herhaling te spreken van "vaalgeel ascetisme', "paarse onthouding', "vergulde extase', "platina zonde', "geseksualiseerd licht', "scharlakenrood mysticisme', "gouden water', enzovoort. Vooral "goud', "gouden' of "verguld' vormden een ware obsessie. Het paste ook geheel in Sá-Carneiro's hang naar een zekere decadentie à la Oscar Wilde, die zich uitte in beschrijvingen van veel "zondig' naakt, perverse taferelen, enig "gothic' gegriezel, in een zekere dandy-achtige gemaniëreerdheid en obsessies van waanzin en zelfmoord.

Vertaler Harrie Lemmens heeft niet alle van deze synesthetische woordcombinaties gehandhaafd, en dat lijkt me heel verstandig: op sommige plaatsen zou het resultaat in het Nederlands te gewild, of zelfs ridicuul aandoen. Daarentegen heeft hij op vele andere plaatsen fraaie oplossingen gevonden voor dit soort netelige stilistische problemen. In een kort en helder nawoord schetst hij een beeld van de schrijver in zijn tijd.

Het is verheugend dat de Nederlandse lezer, naast het werk van Pessoa, nu ook kan beschikken over een boek van één van de intrigerendste figuren uit de moderne Portugese literatuur - en die van Europa.