Nuchtere verhalen van Jan Brokken; Verslaafd aan hondenangst

Jan Brokken: Vulkanen vanaf zee. Uitgeverij Atlas. 175 blz. Prijs: ƒ 29,90.

Het meest literaire verhaal uit de nieuwe bundel Vulkanen vanaf zee van Jan Brokken is het verhaal ”Honden'. De eerste zin luidt kortweg: ”Dat geblaf.' Gevolgd door een suggestieve stilte. Er vallen wel meer van zulke stiltes, die pas later verklaard worden, of maar half of zelfs helemaal niet. Verschillende tijden en ruimtes buitelen over elkaar heen. Het verhaal speelt zich af op Curaçao, maar Zuid-Holland en Indië doen ook mee. De hoofdpersoon is Jan Brokken zelf, in de dubbelrol van journalist en schrijver. Hij heeft vaag omlijnde ontmoetingen met de losbol Roy, met de journaliste Willie, met Carel, de nazaat van een koloniale familie, en met de bejaarde dichteres Nydia. Maar eigenlijk doen deze figuren er niet toe. Zij dienen vooral om het verhaal wat te stofferen en van enige couleur locale te voorzien. Over slavenopstanden gaat het, maar ook over de Indische kampervaringen van de familie Brokken, over een jeugdliefde, maar ook over de Curaçaose schrijver Tip Marugg, die hij wel wil, maar niet durft opzoeken omdat er vier wolfshonden staan te grommen op het erf.

Want daarover blijkt het verhaal vooral te gaan: over zijn angst voor honden. Deze hondenfobie heeft hij als jongen afgekeken van zijn moeder en twee broers, die in het vrouwenkamp Kampili maandenlang bedreigd werden door dolle honden. Het gaat om een aangeleerde, en niet om een zelf doorleefde angst, want Jan Brokken is van na de oorlog. Dat die angst om zo te zeggen gekweekt is, tot literatuur gemaakt, valt aan bijna elke zin van het verhaal af te lezen. Brokken is zich dat zelf ook bewust en dat vergoedt veel. Als hij voor de tweede keer voor het huis van Tip Marugg staat, vraagt hij zich af: “Waarom wacht ik tot ik weer een droge mond krijg en trillerige benen als een van de vier wolfshonden tegen het hek opvliegt, bezeten blaft en zijn tanden ontbloot? Ben ik soms aan mijn angst verslaafd geraakt?” Hier is iemand aan het woord die graag wil lijden en die zijn fobie liever onderhoudt en voedt dan haar te overwinnen en daarmee een hevig gevoel te verliezen. In de wat pathetische uitroep ”Het zal nooit voorbijgaan. Nooit.' waarmee het verhaal besluit, klinkt eerder vastberadenheid door dan wanhoop.

”De tropen voeden passies' zegt een van zijn personages en dat zal wel een van de redenen zijn dat zoveel van zijn verhalen zich rond de evenaar afspelen. Een gepassioneerde schrijver zou ik Brokken intussen niet willen noemen. Daarvoor is zijn stijl in het algemeen te evenwichtig, zijn toon te nuchter, zijn manier van redeneren te weloverwogen, zijn inhoud te feitelijk. Met zijn eigen gevoelens mag hij niet zo goed raad weten, maar voor de al of niet verborgen hartstochten van andere mensen heeft hij een waar zintuig.

De overige zes verhalen van Vulkanen vanaf zee zijn onpersoonlijker van aard, ook al maken ze, zoals bijna al het werk van Brokken, wel vaak een autobiografische indruk. Ze zijn eenvoudiger van opzet en koeler van perspectief. De vulkanen worden hier, om met de titel te spreken, waargenomen vanaf zee, van een veilige afstand dus. Dit reizigersstandpunt levert misschien wel wat zakelijke en documentaire, maar vaak toch geslaagde verhalen op. De kracht van Jan Brokken ligt in het traceren en vervolgens annexeren van andermans gevoelserupties en trouwens ook in het inlijven van hele gebieden. Hoe meer hij reist, hoe meer de wijde wereld hem terug doet denken aan het Zuidhollandse polderlandschap van zijn jeugd. ”Nergens heb ik het poldergras sterker geroken dan in de woestijn', heet het ergens. Ook zijn verhaalfiguren denken, ver weg van huis, en hopeloos verstrikt in politieke en economische intriges, graag terug aan voorgoed voorbije liefdes en aan de bijbehorende ”grienden, de knotwilgen, de Binnenbedijkte Maas'.

Onmogelijke liefde, vergeefse passie, daar legt Brokken zich in deze bundel vooral op toe. Hij laat het hart van een norse vrachtschipkapitein uitgaan naar een vrouw die hij nooit heeft gekend, en die bovendien allang dood is. Mooi is ook het verhaal over de jaloerse zoon die met argusogen toe moet zien hoe zijn anders zo ingetogen en oppassende moeder onder de betovering raakt van een Zweedse professor, en weer heel even jong en zorgeloos wordt. “Vader lette weer niet op, die zat bij het raam naar een paar vuile vegen in de lucht te staren. Moeder praatte in rap Duits; professor Jørensen, die onder de knoestige balken van zijn boerderij in een koerende tortelduif veranderde, zei op alles ”wass interessant'.”

Zelf viel hij ook wel eens aan uitzichtsloze liefde ten prooi, zoals te lezen valt in ”Met Nina, naar Zagorsk'. Als dertiger raakt hij verliefd op een Russisch meisje van zeventien. Hij hoopt en verwacht dat er iets moois op zal bloeien tussen hen, hoe tijdelijk ook, maar zij blijkt zo haar eigen passies te hebben. Zodoende blijft hij, na dagen van vergeefs smachten, met lege handen achter. “Toch maak ik mezelf wel eens wijs dat er een paar woorden in haar geheugen zijn blijven hangen”, schrijft hij hoopvol, maar tegen beter weten in, “niemand wordt graag vergeten.”