Nederlander lijdt onder "acts of god' in O-Europa

ZOETERMEER, 9 APRIL. Niet alleen het internationale overleg over het energieplan van premier Lubbers loopt stroef, maar ook de bijdrage die Nederlandse bedrijven in Oost-Europa kunnen leveren aan verbetering van de energiewinning en milieubeheer komt maar heel langzaam van de grond.

“Het valt alles bij elkaar wat tegen, het is moeilijker dan we dachten”, zegt voorzitter drs. Hein Hooykaas van Energy and Environment Netherlands (E & EN) de in 1991 opgerichte platformorganisatie waarin overheid en industrie samenwerken. Hooykaas, gepensioneerd directievoorzitter van Shell-Nederland, probeert met een klein kantoor in Zoetermeer de krachten van voornamelijk kleine Nederlandse exportbedrijven te bundelen om een plaats op de grote, maar moeilijke Oosteuropese markt te verwerven.

In de sfeer van studies, door ingenieursbureau's en gelieerde technische ondernemingen lukt dat nog wel. De Europese Gemeenschap schrijft tenders uit voor haalbaarheidsstudies en technische plannen in Midden- en Oosteuropese landen, op het gebied van energiebesparing, transport en distributie van elektriciteit en aardgas bijvoorbeeld, die met behulp van subsidies worden betaald. Ook het ministerie van economische zaken draagt bij aan de financiering van kleine projecten die een voorbeeldfunctie in Oost-Europa kunnen vervullen. Ir. Nico van der Kleij van E & EN heeft het afgelopen jaar bij een twaalftal tenders voor technische- en haalbaarheidsstudies tot zo'n 1 miljoen gulden per stuk succesvol kunnen bemiddelen.

“Als je alles optelt hebben we een "omzet' van zo'n acht miljoen gehaald. Maar die studies zijn eigenlijk een zijweg. We moeten vasthouden aan de hoofdweg die we bij onze oprichting hadden gekozen: opdrachten voor Nederlandse bedrijven voor de uitvoering van concrete werken, en export van Nederlandse artikelen. Op het technische terrein van energie en milieu hebben Nederlandse bedrijven veel te bieden. Wij proberen kleine Nederlandse toeleveranciers de weg te wijzen naar die grote projecten”, aldus Van der Kleij. Hooykaas onderstreept de "scouting functie' van E & EN: het zoeken naar mogelijkheden in Oost-Europa voor de Nederlandse industrie.

Dat was precies de bedoeling van premier Lubbers, toen hij in 1990 op de Europese Topconferentie van regeringsleiders de eerste versie van zijn energieplan lanceerde. Westerse investeringen en technische hulp zou een impuls moeten geven aan de energiewinning in Oost-Europa, het zuiniger omspringen met energie, verbetering van het milieu en de veiligheid van kerncentrales. Olie, aardgas en kolen zijn in ruime mate voorhanden in Oost-Europa. Het zijn de enige produkten die deze landen voor een goede (wereld-)prijs kunnen verkopen. Met de extra deviezeninkomsten zouden de Oosteuropese economieën de steun in de rug krijgen.

Hooykaas: “Bij het Energie Handvest gaat het om samenwerking tussen 48 betrokken landen, dat overleg duurt natuurlijk lang. Het gaat vooral om de aanleg van infrastructuur en vermindering van vervuilende emissies, bijvoorbeeld door het installeren van rookgasontzwavelingsapparatuur.”

E & EN concentreert zich voorlopig op Midden-Europa, omdat de politieke toestand in het GOS erg onzeker is. Ook in Midden-Europa loopt het overigens niet snel, zegt hij. Directeur Van der Kleij: “In Hongarije bijvoorbeeld, is onlangs de top van de ministeries waarmee wij te maken hebben, geheel vervangen. Door dat soort "acts of God' ben je dan ineens al je zorgvuldig opgebouwde contacten weer kwijt.”

Hooykaas legt uit dat “er vaak een groot trekpaard” nodig is, bijvoorbeeld Hoogovens, om opdrachten voor kleinere ondernemingen in de wacht te slepen, zoals ingenieursbureaus, trainingsinstituten en leveranciers van technische apparatuur. In 1991 is een rookgasontzwavelingsproject voor een elektriciteitscentrale in Polen op gang gekomen met een waarde van 240 miljoen gulden, waarin de Samenwerkende Elektriciteits Produktiebedrijven (SEP) voor een kwart in deelnemen. Nu bestaat er volgens Hooykaas een “goede mogelijkheid” voor zo'n project in Tsjechië, maar dan uitgebreid met de verwerking van het afvalprodukt gips, in en fabriekje voor gipsplaten die in de bouw worden gebruikt.

Van der Kleij: “Ook in de renovatie van conventionele elektriciteitscentrales bestaan er goede mogelijkheden voor Nederlandse ondernemingen. Je kunt het huidige rendement van zo'n 25 procent heel goed verhogen tot 33 procent zonder ingrijpende systeemwijzigingen. Nederlandse bedrijven kunnen ketels, pompen, afsluiters, meet- en regeltechniek leveren. Maar het probleem is nu nog: wie neemt de verantwoordelijkheid op zich voor de oplevering van het geheel? Daar heb je een consortium voor nodig, dat de kleintjes meetrekt. Dat proberen we te bevorderen, maar bij de grote energieprojecten gaat het al gauw om een investering van zo'n 100 miljoen gulden. Dan zit je vast aan een besluitvormingsprocedure van zeker een jaar en je moet opboksen tegen grote concurrenten in Duitsland, Frankrijk, Italië en de Verenigde Staten. Die landen werken ook nog eens met allerlei vormen van overheidssteun voor de industrie.”

Aan welke projecten werkt E & EN nu? Van der Kleij: “Behalve de tenders voor technische studies liggen er nu vier projecten "voor gaats' die een kans van slagen hebben: rookgasontzwaveling in Tsjechië, een warmte-kracht elektriciteitscentrale in Roemenië, gasopslag in Bulgarije en gasdistributie in Polen. Met Moldavië praten we over verbetering en afdichting van het gastransportsysteem. In de Poolse stad Poznan werken we van de ontwikkelinmg van een demonstratieproject voor energiebesparing, door installatie van honderdduizenden gasmeters in woningen. Die meters zijn in Nederland gebruikt en worden door EnergieNed, de organisatie van distributiebedrijven hier, beschikbaar gesteld.”

Waar mogelijk zoekt E & EN ook naar een commerciële partner in die landen zelf, voor Nederlandse bedrijven, om het risico te delen. Van der Kleij: “Risico is een woord dat momenteel slecht valt in Nederland. De entrepeneurs hebben het moeilijk, zeker bij projecten waaraan je geen harde valuta kunt verdienen. Ook voor financiers en overheidsinstellingen is dat een moeilijk punt. Daarom zouden we graag zien dat Nederland een meer geconcentreerd landenbeleid voor de hulp aan Midden- en Oost-Europa gaat voeren. Nu is een bedrag van 200 miljoen gulden per jaar aan Nederlandse hulp beschikbaar voor al die landen samen, inclusief de bijdrage aan de EG, voor milieu, energie, landbouw en de distributie. Dat is wel erg versnipperd. Daarom waren we het afgelopen jaar wel gedwongen ons meer te richten op kleine projecten voor planning en onderzoek. Daar zijn wel fondsen voor beschikbaar. Onze samenwerking met Economische Zaken is erg goed, en je kunt voor subsidies ook met succes aankloppen bij de Wereldbank en de Bank voor reconstructie en ontwikkeling van Oost-Europa”.

Het huidige gebrek aan een goede risico-verzekering voor investeringen in de GOS-landen speelt E & EN ook parten. Van der Kleij: “Bedrijven doen echt niets als er geen regeling komt. Het risico van nieuwe machtovernames en valuta die instorten is te groot. Voor de jaren '93 en '94 heeft minister Kok een tegenvaller in de begroting ter grootte van 600 miljoen gulden aan staatsgaranties, dat nodig is om schade van investeerders in het GOS te vergoeden via de Nederlandse Credietverzekering Maatschappij. Daarom is het nu zeer moeilijk om voor nieuwe projecten garanties te krijgen.”

De nieuwe maatregel van de NCM, om voor een aantal voormalige Sovjet-republieken maximaal 5 miljoen gulden per investering te verzekeren, biedt volgens de E & EN-directeur wel soelaas voor de kleine projecten, maar is voor de grote energieprojecten “absoluut te weinig”. “We voeren overleg met ministeries en andere instanties om dat probleem op te lossen, want Nederland moet toch als initiator van het plan-Lubbers een goed voorbeeld kunnen geven.”