Machtsstrijd woedt op Frans "olifantenkerkhof '

Terwijl de nieuwe Franse regering haar plannen bekendmaakt, zijn de socialisten verwikkeld in ordinaire machtsstrijd en zelfvernietiging. Een verslag uit het politieke slagveld.

PARIJS, 9 APRIL. Achter de ramen rondom de binnenplaats van het hoofdkwartier aan de Rue de Solferino verdringen zich de medewerkers van de Parti Socialiste, nieuwsgierig naar de nieuwe baas. Op het pleintje verschijnt Michel Rocard, het gebruinde gezicht opmerkelijk ontspannen. De voorzitter van het "voorlopige bestuur' van de Franse socialisten loopt naar de camera's en legt een verklaring af die in één zin de betekenis van de machtsovername moet symboliseren. “Wij gaan werken aan de vernieuwing van de Parti Socialiste, van links en, eens, van Frankrijk.”

Achter het partijgebouw is een hoog kantoorpand in aanbouw. Terwijl Rocard spreekt voor de kleine menigte achter de camera's en achter de ramen, brengt een hijskraan een bak met cement omhoog. De bouwvakkers op de steigers hebben niet de minste aandacht voor de gebeurtenisssen beneden hen. De "nacht van de kleine messen', die tot de intocht van Rocard op de binnenplaats leidde, is hun even onverschillig als de toeristen in de Rue de Solferino die op weg zijn naar het Musée d'Orsay. Een bejaarde, maar nog ravenzwarte Parisienne blijft even staan en zegt: “Ik hoop dat hij slaagt. Maar toen Rocard premier was, is het sociale vraagstuk al in het ongerede geraakt. Daar sprak hij te weinig over. De Parti Socialiste moet een sociale partij zijn.”

Voorlopig is de partij die François Mitterrand in 1971 rondom zich verenigde een "kerkhof van olifanten' (zoals de partijbonzen in het politieke jargon heten). Een voormalig partijleider, François Mitterrand, zetelt als "Tonton' (oompje) zonder kleinkinderen in het Elysée. Een andere, Lionel Jospin, heeft de politiek voorlopig verlaten. En de laatste in de reeks, Laurent Fabius, zint mokkend op wraak. Michel Rocard is na zijn persoonlijke electorale afgang - hij verloor zijn parlementszetel bij de verkiezingen - niet langer de "natuurlijke' presidentskandidaat van links. De ambitie is er uiteraard nog wel, maar Rocard zit voorlopig alleen tussen de scherven.

Hoe het verder moet met het socialisme in Frankrijk, of met de sociaal-democratie die Rocard zegt na te streven, is een vraag die binnen de PS voorlopig niet inhoudelijk aan de orde is. De strijd gaat ordinair om de macht binnen de partij: Rocard tegen Fabius met Jacques Delors veilig in de schaduw van zijn Brusselse EG-kantoor, en als eeuwige stoorzender op de linkervleugel Jean-Pierre Chevènement, de ex-minister van defensie, voor wie "de partij al dood was' voordat Rocard zijn "staatsgreep' pleegde en plaats nam “in een voertuig zonder stuur en wielen”. De Parti Socialiste lijkt volgens de Mitterrand-getrouwe ex-minister Louis Mermaz op een “aardappelveld waar de wilde zwijnen tekeer zijn gegaan”.

Pag.6: De strijd van de naakte olifanten

Voor de "putsch' (oud-minister Paul Quilès) van Rocard zijn enkele redenen. Gewone zoals de dynamiek van de politieke agenda - over twee jaar zijn er presidentsverkiezigen - en de noodzaak van vernieuwing die iedereen met de mond belijdt.

Er zijn ook ongewone, zoals de omvang van de verkiezingsnederlaag, zoals ook de historie van de PS, die gekenmerkt wordt door persoonlijk vetes. De "nacht van de kleine messen' van het afgelopen weekeinde is slechts een drama in een reeks, verspreid over tientallen jaren, met in de hoofdrol steeds dezelfde "olifanten' die zoals bekend een lang geheugen hebben.

Bij de verkiezingen op 21 en 28 maart die tot de historische afgang van de Parti Socialiste leidden, plaatst de gezaghebbende politicoloog Olivier Duhamel, in een analyse in Le Monde, een kanttekening die van belang is bij de discussie over de toekomst van links in Frankrijk. Duhamel wijst op een verschijnsel dat niet alleen de socialisten, maar alle politieke partijen aangaat die potentiële regeringspartijen zijn. Deze partijen - de gaullistische RPR, de liberale UDF en de PS - kregen bij de verkiezingen op 21 maart samen veertien miljoen stemmen (waarvan ruim vier miljoen op de PS). Twaalf miljoen Fransen stemden niet en twaalf miljoen stemden tegen de gouvernementele partijen.

Duhamel: “Er zijn dus drie delen Frankrijk: een derde getrouwen, een derde teleurgestelden en een derde weigeraars. Maar het meerderheidsstelsel leidt tot een grove vertekening. Tijdens de eerste ronde stemden drie van de vier Fransen dus niet op de winnende combinatie RPR/UDF, die uiteindelijk 85 procent van de zetels in de Nationale Vergadering won.” De legitimiteit van dit parlement is dus voor veel Fransen beperkt, vooral voor degenen die op het extreem-rechtse Front National en de twee milieu-partijen (Génération Ecologie en de Groenen) stemden - samen 20 procent van alle stemmen maar geen enkele afgevaardigde. En deze beperkte legitimiteit kan volgens Duhamel een voedingsbodem worden voor populisme, corporatisme, poujadisme en andere vormen van afwijzing van "de politiek', vooral als rechts “twintig jaar zou regeren”.

Dit vooruitzicht lijkt in de eerste plaats een probleem voor rechts (dat al eens dik twintig jaar (van 1958 tot 1981) regeerde. Voor links, het “eindelijk verslagen links” (Duhamel), biedt het een kans “omdat het bevrijd kan zijn” - bevrijd van de gevechten om de machtsposities in de regering en het partijapparaat en de obsessie van het presidentschap. Duhamel: Waarom kandidaat zijn als de verkiezingen verloren zijn?

“De partij is naakt”, stelde een andere onderzoeker, Gerard Grunberg van het Centre d 'Etudes de la vie politique française contemporaine, kernachtig vast. Maar ook naakt gaat de strijd voort van de overgebleven "olifanten' volgens de tradities die Frans links in de afgelopen kwart eeuw heeft ontwikkeld.

In een land dat volgens François Mitterrand “door en door conservatief” is, zijn de hoofdrollen voor steeds dezelfde spelers - politiek is in Frankrijk vooral een kwestie van personen en minder van partijprogramma's. Bij rechts strijden Jacques Chirac en Valéry Giscard d'Estaing al zo'n twintig jaar om het presidentschap. Bij links is het niet anders: François Mitterrand en Michel Rocard stonden al in 1971 tegenover elkaar. Rocard was toen leider van de linkse splinter PSU - hij kreeg hij de presidentsverkiezingen van 1969 3,66 procent van de stemmen. Mitterrand slaagde er in dat jaar met een "staatsgreep' op het congres van Epinay "de hand te leggen' op de toenmalige socialistische partij. De Parti Socialiste, waarin de PSU opging, bracht hem tien jaar later in het Elysée.

De strijd om de opvolging van Mitterrand binnen de PS is al bijna tien jaar gaande: sinds 1985, toen de president Frankrijk zijn jongste premier in de geschiedenis gaf, de 35-jarige Laurent Fabius. Rocard en Fabius organiseerden hun eigen aanhang in de partij, die uiteenviel in "families', elk met hun eigen leider, die elkaar nog harder bestreden dan hun politieke tegenstanders ter rechterzijde. Rocardisten (25 procent), fabusiens (29 procent) en jospinisten (29 procent), vernoemd naar ex-partijleider Lionel Jospin, vormden de belangrijkste (de percentages werden "gemeten' op het laatste partijcongres in 1990 in Rennes).

De onderlinge concurrentie leidde op datzelfde congres in de Bretonse hoofdstad tot het zeldzame en electoraal rampzalige tafereel van partijsecretaris en oud-premier Pierre Mauroy alleen achter de bestuurstafel, de obligate roos in de hand: alle andere "olifanten' rolden vechtend door de wandelgangen. Tussen de belangrijkste onder hen, Michel Rocard, de oud-premier die in 1991 aan de kant werd gezet, en Laurent Fabius, de "prins van Dieu' in het Elysée, heerst sindsdien dezelfde "kalme haat' als tussen Rocard en Mitterrand. Bij de afrekening die het afgelopen weekeinde plaats vond, laaiden die gevoelens hoog op. “Als het donker is, gaan we Fabius vermoorden,” zei een "rocardist' zaterdag voor de politieke broedermoord. En de partijleider liet het op de beslissende stemming aankomen onder het motto “liever een moord waarvoor getekend is dan een verborgen zelfmoord”.

Meer verongelijkt dan aangeslagen ontruimde Fabius maandag snel het partijkantoor. Terwijl zijn laatste kartonnen dozen dinsdagmiddag in een VW-busje werden geladen, arriveerde Rocard, de kersverse voorzitter van het voorlopig PS-bestuur om "links te verenigen'. Begin juli komt er een "staten-generaal' waar de militanten stoom kunnen afblazen, zoals het wanhopige partijlid dat in een "zegt u het maar'-programma van RTL-radio zijn gram haalde “over de klieken die elkaar bestrijden in plaats van de mensen te vragen wat ze verkeerd hebben gedaan”. En, voegde hij eraan toe: “Ik heb dertig jaar socialistisch gestemd om het idee en niet om Rocard of hoe ze allemaal mogen heten.”

Maar dat is het juist: de Parti Socialiste is “gevallen zoals de politieke religie die deze eeuw domineerde, de collectivistische hoop die het socialisme zijn naam en zijn ziel gaf”, stelt Olivier Duhamel. Tot dezelfde conclusie komt de bekende publicist Jean-François Revel. “Het hoofdstuk dat anderhalve eeuw geleden in de geschiedenis van politieke ideeën werd opengeslagen door de uitvinding van het socialisme, is gesloten”, schreef Revel in een kroniek in het weekblad Le Point, onder verwijzing naar de Poolse historicus Bronislas Geremek, die vaststelde “dat de mensheid zich soms op een doodlopende weg begeeft”. Met de val van de Berlijnse muur in 1989 is die weg verdwenen.

Revel meent dat de "hercompositie' van links uitsluitend zin heeft als er “een partij van links wordt gevormd die zich van het socialisme heeft ontdaan”. Ook Duhamel stelt dat het “eindelijk verslagen links bevrijd kan zijn” - bevrijd van de macht, van de verantwoordelijkheid om aan te tonen dat socialisten goede beheerders kunnen zijn, zoals de ongelukkige premier Pierre Bérégovoy, die als een goed huisvader de franc keurig hard en het begrotingstekort keurig klein hield, en verbaasd was dat hij op verkiezingsbijeenkomsten werd uitgejouwd.

Zestig procent van de kiezers die vroeger op de PS stemden, menen - zo blijkt uit een onderzoek - dat de partij vernieuwd moet worden. Vanaf het kerkhof van de olifanten klinkt dezelfde kreet. Maar Fabius, Rocard en Delors zitten wat Europa, "Maastricht' en de harde franc betreft ideologisch op dezelfde lijn. Daarmee heeft links eerder aan identiteit verloren dan gewonnen. Frans links moet in de visie van een andere politicoloog, Alain-Gérard Slama (in een betoog Le Figaro), staan voor de verdediging van de klassieke "republikeinse waarden' zoals de natie en de sociale vooruitgang die De Gaulle in de Vijfde Republiek verankerde. Dit is trouwens ook de visie van Jean-Pierre Chevènement die daarom het Europa van Maastricht afwijst.

Het "beheersmodel' van Michel Rocard staat volgens Slama “dichter bij de materialistische en sombere sociaal-democratieën van Noord-Europa dan bij de bruisende democratie die in onze instellingen en onze zeden is ingeschreven”. Het rocardisme dat sinds 1988 (toen Rocard premier werd) in het mitterandisme is binnengeslopen, heeft tot een grotere kloof geleid tussen de publieke opinie en een politieke klasse die niet slechter of beter is dan een andere, aldus Slama. En als tweede conseqentie signaleert hij de verdeling van Frankrijk in een veelheid van "gemeenschappen' en "concurrende corporatismen' waarin de werklozen zich in de steek gelaten voelen.

Het failliet van de maatschappij-projecten van links betekent naar zijn inzicht niet dat aan de tegenstelling tussen links en rechts een einde is gekomen: “het consacreert alleen het einde van de arrogantie”. De verkruimeling van de stromingen in de Parti Socialiste is het resultaat van de absurde en soms criminele ambitie "zin' te geven aan een niet te ontcijferen wereld. Frans links moet, volgens Slama, zijn identiteit herdefiniëren in het licht van de praktijken van rechts dat nu aan de macht is - zoals het rechts van Balladur zich heeft gedefinieerd in tien jaar mitterandisme.

Deze taakstelling is wellicht juist, maar Michel Rocard kan niet zo lang wachten, evenmin als Jacques Delors trouwens - de uitgedunde karavaan trekt dus vechtend verder, op naar 1995.