Karlsruhe heeft gesproken, het woord is aan de politiek

BONN, 8 APRIL. Klachten over het leven en werken van politici en hun partijen beleven een hoogconjunctuur. Ook en juist in Duitsland, waar onzekere en ontevreden kiezers en de media althans van deze conjunctuur kunnen genieten, werkt menig politicus daaraan stevig mee. Hele en halve affaires, vroeger weggeblazen door een brede economische wind in de rug, hebben vandaag - bij een economische recessie - vaak de waarde van een troostende dagschotel. Een collectief Nieuw Groot Ongeluk, met een negatieve maar toch ook vertrouwd-romantische spanning tussen “zij” (Sie, daarboven) en “wij” (Wir, de gewone mensen die het weer moeilijk hebben). Smakelijk voor velen die in deze richting een beetje aanleg hebben in het verenigde Duitsland.

Geld, verkeerde vrienden, gratis vakantiereizen, soms moeizame gevechten met de waarheid; Streibls, Stoibers, Lafontaines, Engholms en Möllemannen - de obers lopen af en aan. De Politikverdrossenheit, de hevige afkeer van de grote politieke partijen en hun klemmende greep op de samenleving, waarmee zij zich in feite ook nog zo weinig raad weten, tieren welig. Het verdriet en de zorg van bondspresident Richard von Weizsäcker daarover zorgt voor vele interviews en ernstige redevoeringen. En ook voor een florende omzet aan waarschuwende boeken en boekjes.

In de grootste boekhandel van Bonn, Bouvier, bijvoorbeeld staan stapeltjes nieuwe boeken op een aparte tafel, die in zekere zin als een menukaart dient. Weizsäcker, in veel opzichten een erkende bestseller, kijkt de passant aan van wel drie verschillende omslagen. Ernaast liggen verwante boetepredikaties in grote letters van Rainer Barzel, ooit fractieleider van de CDU in de Bondsdag, van oud-kanselier Helmut Schmidt (“Handeln für Deutschland - Wege aus der Krise”), en van een bezorgd schrijverscollectief, onder wie opnieuw Schmidt, collega-uitgeefster van Die Zeit Marion Dönhoff en Edzard Reuter, chef van Daimler Benz (“Weil das Land sich ändern muss”). De Bildzeitung heeft een scherpe neus voor grote conjuncturen, zij drukt al twee weken, en bij wijze van serie, uittreksels uit Schmidts boek af. Om het evenwicht te bewaren drukt zij onder Schmidts boze bezwaren tegen de politici die sinds '82 na hem kwamen (Kohl, Kohl en Kohl, maar ook Willy Brandts SPD-kleinkinderen) kritische reacties van lezers op Schmidt af. Twee schelven hooi, altijd goed.

Er is de afgelopen dagen en weken flink wat afgehoond over de besluiteloosheid van "de politici in Bonn', die vorige week haar dieptepunt leek te beleven in het unieke besluit van de regeringscoalitie om te protokolleren dat zij, CDU/CSU enerzijds en FDP anderzijds, verdeeld was over wat de Duitse grondwet toestaat inzake de inzet van militairen buiten het NAVO-gebied en dat meningsverschil voor te leggen aan het Duitse Constitutionele Hof in Karlsruhe.

De hoogste Duitse rechter op de stoel van de politiek dus: coalitiepartner FDP klaagt in Karlsruhe volgens afspraak over een meerderheidsbeslissing van de CDU/CSU-ministers om Duitse soldaten in AWACS-vliegtuigen mee te laten doen (vanaf komende maandag) aan NAVO-controles op het VN-vliegverbod boven Bosnië. Meer dan dat: de FDP klaagde niet alleen, zij hoopte - politiek gesproken - ook nog dat zij met die klacht geen succes zou hebben.

Die hoop is gisteravond in Karlsruhe in vervulling gegaan: de FDP van minister Klaus Kinkel kan zich naar het oordeel van de hoogste rechter schikken, voorlopig althans, zij hoeft niet over een crisis na te denken en zij heeft (dat wil zeggen: Kinkel heeft) bovendien op dit gebied zelf (nog) niets aan het delicate erfgoed van oud-minister en oud-partijleider Hans-Dietrich Genscher hoeven te veranderen.

Ein Affentheater riep Helmut Schmidt vorige week, bij de presentatie van zijn nieuwste boek, over de gang naar Karlsruhe van Kohls coalitie. Dat is om meer dan één reden nog maar de vraag. Natuurlijk is waar dat regering en parlement zelf moet zorgen voor wetgeving of voor wijziging daarvan. Maar in een land met een geschiedenis als Duitsland, een land dat een constitutioneel hof kent als dat in Karlsruhe, wil dat wel eens anders gaan. De achteraf door iedereen als gelukkig erkende rol van Karlsruhe bij de beoordeling van Willy Brandts Ostverträge, met name het oordeel dat een volkenrechtelijk bindende erkenning van de Oder-Neissegrens met Polen alleen toekwam aan een soeverein, democratisch bestuurd en verenigd Duitsland, is maar één voorbeeld daarvan. Zonder het aanvankelijk veelgekritiseerde oordeel van het Constitutionele Hof uit 1973 zou de juridische kant van de Duitse eenwording in 1990 trouwens ook veel moeilijker zijn geweest.

Het militaire bedrijf, zelfs dat onder VN-vlag, is niet populair bij onze oosterburen. De bevolking van de Bondsrepubliek is namelijk, anders dan Nederlandse jongeren blijkens een recente Clingendael-enquête menen, in het geheel niet oorlogszuchtig. Integendeel, er is geen land in Europa (zowel absoluut als relatief) waar zoveel dienstplichtigen zich als gewetensbezwaarde verplichten om vervangende (civiele) dienst te doen. De Duitse zorgsector zou zonder die jongeren vandaag niet kunnen bestaan.

Hans-Dietrich Genscher, destijds minister van buitenlandse zaken ('74-'92), FDP-voorzitter en als politiek overlevingskunstenaar beroemd wegens zijn nauwkeurige taxaties aangaande het gevoel en de stemming van het electoraat, is de man die begin jaren tachtig een beperkte uitleg van de grondwet van de, toen nog Westduitse, Bondsrepubliek koos. Dat deed hij kort na het begin van de lange oorlog tussen Iran en Irak (1980-'88).

Genschers vandaag zo omstreden interpretatie, die het Bonn onder meer mogelijk maakte om internationale verzoeken af te wijzen om mijnen te ruimen in de Perzische Golf (of om daar mee te doen aan crisisbeheersing), werd gemeengoed in de Duitse body politic. Eerst onder kanselier Schmidt, daarna - sinds '82 - onder Kohl.

Dat de Bondsrepubliek in 1973 zonder beperkende voorwaarden lid was geworden van de Verenigde Naties, en dus in beginsel de verplichting had aanvaard om - zonodig/desgevraagd - mee te doen aan VN-vredesacties, deed daaraan niet af. In dit historische opzicht hebben Schmidt én Kohl een zekere verantwoordelijkheid voor het Affentheater van de afgelopen dagen. Want onder hen zijn twaalf jaar voorbijgegaan waarin een grondwettelijke beperking werd verondersteld die helemaal niet vanzelfsprekend uit de grondwet voortvloeit. Integendeel, artikel 24 van de grondwet laat uitdrukkelijk de mogelijkheid open om deel te nemen in acties van “collectieve veiligheidssystemen” (zoals de VN). Bovendien: artikel 25 regelt dat volkenrecht boven nationaal recht gaat.

Kohl is na de Duitse eenwording direct gaan aandringen op grondwetswijziging, maar ving bot bij de SPD en de FDP, die weten dat een groot deel van de kiezers niets voelt voor Duitse militaire betrokkenheid buiten het NAVO-gebied, ook niet als het om vredesafdwingende VN-acties gaat. De Duitse afzijdigheid tijdens de Golf-oorlog, toen Bonn direct na de eenwording slechts als een betaalmeester voor de VN-coalitie wilde fungeren, en hevige debatten over de Duitse rol bij VN-acties in de Adriatische Zee (controle embargo tegen Servië) en hulp aan Somalië zorgden voor volgende voorbeelden.

Pogingen van de nieuwe SPD-voorzitter Björn Engholm om zijn partij na de Duitse eenwording mee te trekken naar een ruimer standpunt in de "out-of-area'-kwestie leden vorig jaar schipbreuk. Intussen groeide het risico van een Duitse Sonderstellung, een militaire “renationalisering” wellicht zelfs, in de EG van "Maastricht', het Europa met een eigen veiligheidsidentiteit van Kohl en Mitterrand dus. Wat dat betreft is het vreemd dat in de Duitse discussie vandaag zo weinig wordt herinnerd aan de voorjaar '92 ook door Bonn getekende ministersverklaring inzake eventuele internationale acties van de Westeuropese Unie.

Het hof te Karlsruhe heeft als het ware even gefungeerd als opperbevelhebber van de Duitse strijdkrachten. Duitse militairen mogen (voorshands) meedoen aan AWACS-waarnemingsvluchten. Maar de bal ligt nu weer bij de politici en hun partijen in Bonn. Kohl en Kinkel mogen dan blij zijn met de uitspraak van de hoogste Duitse rechter, zij kunnen eigenlijk niet meer "terug' van de ook door henzelf gewekte indruk dat de grondwet moet worden veranderd. Dat wil zeggen dat zij daarvoor opnieuw de steun moeten zoeken van de SPD, de partij die zozeer het andere, irenisch-voorzichtige, Duitsland wil vertegenwoordigen dat zij zich tussen Bonn en Karlsruhe liefst op de vlakte houdt. Voor zover er hier sprake is van Verdrossenheit, namelijk over nieuwe Duitse realiteiten in het hart van Europa, dan ligt dat waarschijnlijk net zoveel aan de kiezers als aan de grote volkspartijen. Een partij als de SPD meent daardoor misschien ook niet anders te kunnen doen dan zij doet. Zo gezien was de gang naar Karlsruhe geen Affentheater maar een wel verklaarbare uitweg tussen Genschers vroegere Duitse wereld, de twijfels van kiezers en partijen en de grote druk die van een snel veranderde internationale situatie uitgaat.