In het wayang-theater van de Indonesische politiek; Soeharto stelt jonge spelers aan

JAKARTA, 9 APRIL. Nog geen maand na zijn vijfde herverkiezing tot staatshoofd van Indonesië heeft Haj Muhammad Soeharto van zijn "presidentiële prerogatief' gebruik gemaakt en nagenoeg de hele politieke en militaire top van het land vervangen. Het kabinet dat per 1 april aantrad, bestaat voor meer dan de helft uit nieuwe gezichten en deze week kregen alle vier de krijgsmachtonderdelen andere bevelhebbers.

Waait er een nieuwe wind? Dat is de vraag. Gebleken deskundigheid is gehonoreerd en de politieke prioriteiten zijn enigszins bijgesteld, maar de president heeft bovenal zijn talent als machtspoliticus bewezen. Persoonlijke loyaliteit is beloond, maatschappelijke druk is gekanaliseerd, waar nodig zijn concessies gedaan aan het leger, maar potentiële rivalen in die kring zijn aan de kant gezet. In het wayang-theater van de Indonesische politiek is Soeharto nog steeds de dalang (poppenspeler) die aan de touwtjes trekt.

De vijfjaarlijkse kabinetswisseling is van belang als politieke graadmeter: wat wil de president en wie genieten zijn gunst? Indonesische ministers hebben, afhankelijk van hun departement, enige macht, maar zijn allereerst pembantu presiden ("hulpjes' van het staatshoofd). Ze zijn uitsluitend verantwoording schuldig aan degene die hen aanstelt en de koers bepaalt: de president.

Het nieuwe kabinet is sterk verjongd, telt minder militairen en christenen, en meer islamieten en technocraten. De strijdkrachten (ABRI) moesten zetels inleveren, maar behouden een aantal sleutelposten. Iets meer dan de helft (22) van de ministers is nieuwkomer, maar de vier coördinerende bewindslieden - onder wie twee generaals b.d. - zijn oudgedienden.

De meeste leden van het financieel-economische team, waaronder de "Rotterdamse' economen Radius Prawiro en Arifin Siregar, zijn vervangen. Drie van de afgedankte bewindslieden, onder wie de gouverneur van de nationale bank, zijn christenen. Toch wijst hun vervanging vooral op verschuivende prioriteiten. Het nieuwe wachtwoord luidt "opwaardering van menselijk kapitaal'. Het vorige team heeft de uitvoer buiten de olie- en gassector, tientallen jaren de voornaamste deviezenbron, weten te verdubbelen, maar economen maken zich zorgen over de lage toegevoerde waarde van het pakket - hoofdzakelijk textiel en schoenen -, dat het op de wereldmarkt vooral moet hebben van de lage loonkosten. Exportverhoging blijft voorop staan, maar op de middellange termijn vereist dit beter onderwijs en technologische versterking van het produktie-apparaat. Vandaar het grote aantal ingenieurs in het nieuwe kabinet.

Het vertrek van vijf christelijke ministers is niet gecompenseerd. Daarmee komt Soeharto tegemoet aan dringende oproepen uit de islamitische gemeenschap om meer leden van de "meerderheid' op sleutelposten te benoemen. De voorzitter van de Vereniging van Moslim-Intellectuelen (ICMI) en Soeharto-vertrouweling prof. dr. ir. B.J. Habibie is de man die de twee nieuwe thema's - islam en technologie - de laatste jaren vaardig wist te combineren. Habibie werd voor de vierde maal minister van onderzoek en technologie.

Er zijn ook bonussen uitgedeeld voor succes en loyaliteit. Minister van buitenlandse zaken Ali Alatas, die Indonesië het voorzitterschap bezorgde van de Beweging van Niet-Gebonden Landen en internationaal goed staat aangeschreven, blijft aan.

Prominenten van regeringspartij Golkar die als woordvoerder of commissievoorzitter verantwoordelijk waren voor een rimpelloos verloop van het recente Volkscongres, zijn beloond met een ministerschap. Voorbeelden zijn Oetojo Oesman, de nieuwe man op justitie, en Ibrahim Hasan, voormalig gouverneur van Atjeh, die wordt belast met voedselvoorziening. Ondanks sterk aandringen van die zijde telt het kabinet wederom geen enkele minister uit de twee kleinere partijen.

De opmars van de burgerpolitici zet door; het aantal (ex-)generaals is afgenomen van 11 naar 9. Twee militaire zwaargewichten, die in het vorige kabinet een eigenzinnig geluid lieten horen en oogluikend toelieten dat hun namen vielen als kandidaten voor het vice-presidentschap, zijn vervangen. Minister van binnenlandse zaken Rudini maakte plaats voor generaal b.d. Yogie S. Memet, gouverneur van de provincie West-Java. L.B. (Benny) Moerdani, tot dusverre ABRI's sterke man in de regering, is als minister van defensie vervangen door de nieuwe stafchef Edi Sudradjat, zodat beide ambten voor het eerst sinds tien jaar in één generaal zijn verenigd.

Ook in de militaire top heeft Soeharto schoon schip gemaakt. Hij installeerde dinsdag nieuwe bevelhebbers voor de landmacht, luchtmacht, marine en politie. De vervanging van de complete generale staf door hem welgezinde officieren lijkt een antwoord van Soeharto op zijn critici in legerkringen. Militaire benoemingen zijn belangrijk in Indonesië, want de strijdkrachten geven in dit land politiek de toon aan. Soeharto, zelf een gepensioneerde generaal, kwam aan de macht met behulp van het leger. In die 25 jaar heeft de president echter een deel van de strijdkrachten van zich vervreemd. De militairen gehoorzamen de president als hun "hoogste bevelhebber', maar eisen ook een eigen verantwoordelijkheid op. Zo rees de afgelopen jaren kritiek in de militaire gelederen op de manier waarop Soeharto zijn familieleden economische machtsposities toespeelde.

De verhouding tussen de president en de legertop bereikte anderhalf jaar geleden een dieptepunt. Op 12 november 1991 liep een anti-Indonesische demonstratie in Dili, de hoofdstad van Oost-Timor, door toedoen van het leger uit op een bloedbad. Om buitenlandse protesten voor te zijn, benoemde Soeharto een onderzoekscommissie die het fiasco weet aan gebrekkige discipline binnen het plaatselijke garnizoen. Twee generaals kregen ontslag en een aantal militairen kwam voor de krijgsraad. Dat zette kwaad bloed binnen de legertop, die het gevoel had tot zondebok te worden gemaakt.

De toenmalige stafchef van de strijdkrachten, generaal Try Sutrisno, nam zijn mannen in bescherming tegen de internatonale kritiek, wat hem grote populariteit opleverde in de kazernes. Toen vorige maand een nieuwe vice-president moest worden benoemd, schoof het leger generaal Try naar voren. Soeharto werd voor het blok gezet; hij moest een tweede man naast zich dulden die hij weliswaar goed kent - Try was jarenlang zijn adjudant -, maar die hij niet zelf had gekozen.

Met de benoemingen van deze week heeft Soeharto zijn greep op de militaire commandostructuur versterkt. De nieuwe chef van de landmacht, luitenant-generaal Wismoyo Arismunandar, is een zwager van presidentsvrouw Tien Soeharto en diende in de presidentiële garde, waarna hij bliksemsnel carrière maakte. De nieuwe bevelhebber van de marine, vice-admiraal Tanto Koeswanto, was eens Soeharto's persoonlijke adjudant.

Intussen geldt de hoogste militair van het land, stafchef generaal Edi Sudradjat, niet als een Soeharto-paladijn. Maar Edi's lot is in handen van het staatshoofd, want eind deze maand wordt hij 55 en komt hij in aanmerking voor "functioneel leeftijdsontslag'. De actieve dienstperiode van hoge officieren kan enkele malen worden verlengd, maar die beslissing is, opnieuw, een "presidentieel prerogatief'. Waarnemers houden het erop dat Edi nog twee jaar de functies van stafchef en minister mag combineren, maar dan zijn uniform in de kast moet hangen en plaatsmaken voor de 'komeet' Wismoyo.