Hella Haasse en haar geboorteland; Een Indisch meisje

Naar aanleiding van haar boek Oeroeg is Hella Haasse wel verweten dat zij "niet Indisch genoeg' zou zijn om goed te kunnen schrijven over Indonesië. “Iets dat me eerlijk gezegd wel eens pijn heeft gedaan, want ik ben gevormd door mijn geboorte en jeugd in Indië,” zei Haasse zelf. Van dat laatste, en van de pijn van de scheiding, geeft ook haar boek Een handvol achtergrond blijk.

Hella Haasse: Een handvol achtergrond. Uitg. Querido. Prijs ƒ 29,90

-: Oeroeg. Uitg. Querido. Prijs ƒ 29,90

In het kortgeleden verschenen Een handvol achtergrond van Hella Haasse komt een passage voor die mij nicht aus dem Sinn wil.

Een groot deel van de inhoud van dit boekje kende ik al: stukken uit Zelfportret als legkaart (1954), Krassen op een rots (1970), en het tijdschrift Ons erfdeel (1985), maar het heeft iets bevredigends deze fragmenten bij elkaar te zien, zoals het bevredigt om de schilderijen van een beroemde meester, die anders verspreid zijn over de Oude Pinacotheek, het Prado, de Uffizi en de Hermitage, nu eens op één tentoonstelling bij elkaar te zien.

Er komt bij dat de persoonlijke, in de eerste persoon geschreven herinneringen van Hella Haasse mij eigenlijk het meest aanspreken; haar historische romans hebben voor mij iets ondoordringbaars, paleizen waarvan ik de ingang niet kan vinden. Het is mogelijk dat dat aan mij ligt, maar het geldt bijvoorbeeld niet voor een roman als Oeroeg (1948), het eerste boek dat ik van haar las en dat in de tijd dat het verscheen een diepe indruk op mij maakte. Passages uit dit boek, vol atmosfeer en verlangen, hadden wat mij betreft ook in deze bundel kunnen staan, bij voorbeeld: “In de regentijd, als de tuin in een moeras en de paden in bergbeken herschapen waren, zaten we op de stoep van de achtergalerij, met onze tenen reikend naar de mist van druppels, die het van het afdak omlaagstortende water opwierp. De stralen uit de afvoergoten langs het dak plensden met een eentonig mineurgeluid in de slokan en de put, kikkers kwaakten heel de dag lang, en behalve dit was er niets anders te horen onder de lage loodgrijze wolken, die de bergtoppen voor ons verborgen.”

De weerklank die zo'n beschrijving voor mij heeft is ongetwijfeld te herleiden tot de jeugdherinneringen die die bij mij oproept; en daarmee raken we aan een probleem dat het literaire genre beheerst waartoe dergelijke boeken behoren, namelijk de vraag naar authenticiteit.

Zo werd Oeroeg kort na zijn verschijning hard aangepakt door Tjalie Robinson in het tijdschrift Orientatie (1948 Nr 9), en later op dezelfde gronden gewogen en te licht bevonden door Rob Nieuwenhuys in zijn standaardwerk over de Indische literatuur, Oost-Indische spiegel. Voor wie het boek niet kent (meteen kopen): het is de tragische geschiedenis van de vriendschap tussen een in Indië geboren Hollandse jongen en Oeroeg, de zoon van een Indonesische mandoer (opzichter) op zijn vaders plantage. De innige broederschap van hun kinderjaren is niet opgewassen tegen de verschillende wegen die hun levens inslaan als zij opgroeien in de koloniale samenleving; zij worden steeds meer vreemden voor elkaar, verliezen elkaar uit het oog en komen ten slotte als vijanden tegenover elkaar te staan in de eerste politionele actie. Oeroeg spreekt dan de verschrikkelijke woorden: “Ga weg, je hebt hier niets te maken.”

De hoofdpersoon ziet in dat hij Oeroeg nooit meer zal ontmoeten: “Het is overbodig toe te geven dat ik hem niet begreep. Ik kende hem zoals ik [het bergmeer] Telaga Hideung kende - een spiegelende oppervlakte. De diepte peilde ik nooit.” En het boek besluit: “Is het te laat? Ben ik voorgoed een vreemde in het land van mijn geboorte, op de grond vanwaar ik niet verplant wil zijn?” (mijn cursivering).

Zinnebeeldig

Het is niet te ontkennen dat het verhaal, en ook de "Indische' achtergrond, in de tweede helft van het boek iets kunstmatigs krijgen dat ook mij hinderde toen ik het las, maar niet helemaal om dezelfde redenen als Tjalie Robinson. Hij weet dat kunstmatige aan het feit dat Hella Haasse Indische verhoudingen beschreef die zij niet uit eigen beleving kende, omdat zij daarvoor te "Hollands' was opgevoed.

Wat Tjalie Robinson Hella Haasse verweet mag op zichzelf niet onjuist zijn, en dat hij die Indische achtergronden beter kende dan zij is niet aan twijfel onderhevig; maar of haar boek daarmee recht wordt gedaan is iets anders. Waar ik dat gekunstelde vooral aan toeschreef was dat het verhaal naarmate het vordert meer en meer zinnebeeldig wordt; een te nadrukkelijke symboliek gaat altijd ten koste van het verhaal. Het verarmt het. Dat is hier en daar ook te zien in het werk van Maria Dermoût, om iemand te noemen wier Indische achtergronden door niemand worden betwijfeld - en niet in de laatste plaats in Tjoek van Tjalie Robinson zelf. Voor dat verhaal, dat in symbolische vorm de positie van de Indo in de Indische samenleving beschrijft, geldt het zelfs nog heel wat sterker dan voor Oeroeg. Dat kan teleurstellend zijn, maar het maakt, zoals dit laatste voorbeeld illustreert, de symboliek zelf nog niet onwaar of onecht.

Wat is de symboliek van Oeroeg? Hella Haasse heeft daar zelf in Persoonsbewijs een paar vreemde dingen over gezegd, waarover later meer, maar in eerste instantie kan er geen twijfel over bestaan dat het gaat om het drama dat iedereen die uit Nederlands-Indië afkomstig is zelf ondergaan heeft: het feit dat de Indonesiërs van vriendelijke en toegankelijke mensen veranderden in gesloten zwijgende tegenstanders. “Ik was voor hen ... het symbool, de personificatie van iets waartegen zij zich met inzet van hun hele persoonlijkheid gekeerd hadden.” Mensen die je begreep of dacht te begrijpen waren ontoegankelijk geworden, vol raadselachtige vijandschap die - dat was wat zo moeilijk te verwerken was - opeens de indruk maakte in hun diepste wezen altijd te hebben bestaan. Dat is de hartverscheurende ervaring die in Oeroeg wordt uitgedrukt, en zo werd het, nogmaals, door alle Indische Nederlanders ondergaan, ook en misschien nog het ergst van al door de Indo's. “Ga weg, je hebt hier niets te maken” - dat gold voor iedereen, niet alleen voor Hella Haasse maar ook voor Tjalie Robinson.

Daarom vond ik Tjalie's aanval op Hella Haasse, hoewel niet onjuist met betrekking tot bepaalde details in het boek, als geheel toch onverdiend en gericht op iets bijkomstigs; wat ik vooral ook betreur is dat Rob Nieuwenhuys dat niet heeft ingezien en in tegendeel in Oost-Indische spiegel ook nog eens zijn duit in het zakje heeft gedaan.

Hella Haasse zegt daar zelf over (in Hans Visser, Indië in Holland): “Tjalie Robinson noemde mij een Hollands meisje uit de tropen, geen echt Indisch kind; en dat "niet echt Indisch' heeft er geloof ik toe geleid dat men mij als auteur ook niet echt tot de Indische belleterie rekent, iets dat me eerlijk gezegd wel eens pijn heeft gedaan, want ik ben gevormd door mijn geboorte en jeugd in Indië.”

In zijn behandeling van Oeroeg laat Nieuwenhuys Hella Haasse tegen zichzelf getuigen: “Ze zegt het zelf: "Wij leefden niet Indisch'. De manier van leven thuis was Hollands... "Ik ben in Indië geboren en toch ben ik er misschien nooit iets anders geweest dan een vreemdelinge' (Zelfportret als legkaart).”

Dat is van een grote eerlijkheid en bescheidenheid, en waar ik nu bezwaar tegen heb is dat iemand deze deugden tegen haar gebruikt zonder ze op zichzelf toe te passen. Als iedereen die zich in Indië "Europeaan' noemde dezelfde eerlijkheid betrachtte zou hij tot geen andere conclusie komen dan "er misschien nooit iets anders dan een vreemdeling' te zijn geweest. Nieuwenhuys doet hier net of hij niet weet dat "de manier van leven thuis is Hollands' hier iets heel anders betekende dan in Nederland; ik hoef niet te verwijzen naar de talloze constateringen dat iemand, onverschillig wie, "na een aantal tropenjaren' nooit meer dezelfde was en in Europa meestal voor de rest van zijn leven te kampen zou hebben met aanpassingsmoeilijkheden - laat staan iemand die "was gevormd door haar geboorte en jeugd in Indië'.

Schaduw

Ook maakt Nieuwenhuys een unfair gebruik van wat Hella Haasse in wat ik aanzie voor een romantische opwelling als haar eigen relatie tot Oeroeg heeft beschreven: Oeroeg, schreef zij in Persoonsbewijs, was eigenlijk haar "andere helft, het donkere deel van haarzelf, het deel in de schaduw dat zij niet kent'. Nieuwenhuys laat die gelegenheid niet voorbijgaan: “Dat Hella Haasse dit deel niet kent is duidelijk”, schrijft hij, “hoe zou ze dit ook kennen als Hollands meisje opgegroeid in een Hollandse omgeving... Als zij haar "andere helft in de schaduw' had willen ontraadselen, had ze eerst Oeroeg moeten kennen. Daar had ze als schrijfster van uit moeten gaan. Maar zijn wereld is haar vreemd.”

Een schot voor open doel - en dat door iemand die voor zichzelf nota bene bijna tekstueel dezelfde aanspraken op zo'n "andere helft in de schaduw' heeft gemaakt, voor de goede verstaander nog geïllustreerd met een foto van zichzelf met een Javaans masker half in de schaduw (zie De Engelbewaarder 25, jan. 1982).

Ik wil niet afdingen op de waarde van Oost-Indische spiegel, een monumentaal werk dat ik respecteer en bewonder, maar er is iets in - een delicate kwestie, maar het wordt tijd er iets over te zeggen - van de pretentie de ware kennis van het "echte' Indische leven in pacht te hebben en op grond daarvan brevetten van Indischheid uit te delen, een brevet dat Hella Haasse wordt geweigerd. Dan is er toch iets te zeggen voor de school die verbiedt om persoonlijke achtergronden - leven, geslacht, geboorteplaats, huidskleur, samenstelling van het bloed, kortom dat wat ik wel eens ironisch als "Blut und Boden' omschreven heb - in een literair oordeel over een schrijver te betrekken; de school die zegt dat alleen wat iemand schrijft relevant is, niet wie het schrijft.

De status van "Indisch' wordt tegenwoordig zelfs opgeëist door allerlei mensen die na de oorlog, in Nederland, uit Indische ouders zijn geboren en Nederlands-Indië nooit hebben gekend (misschien meer een onderdeel van die modieuze terugkeer tot "roots' die uit Amerika is overgewaaid); mijn zegen hebben ze, maar dan is het absurd dat de status van "Indisch meisje' wordt onthouden aan iemand als Hella Haasse, die daar is geboren en opgegroeid en veel meer doordrenkt is van "Indischheid' dan zij ooit zullen zijn. Daarvan is Een hand vol achtergrond een getuigenis.

In dat licht wordt ook begrijpelijk dat iemand als F. Springer er uitdrukkelijk geen prijs op stelt bij de "Indische letteren' te worden ingedeeld. Begrijpelijk maar vergeefs, voor iemand die een boek als Bougainville heeft geschreven. Nu weer schrijft hij, in Bandoeng-Bandung, over het besef “dat hij niet één originele syllabe had toe te voegen aan de zogenaamde terugkeerliteratuur die sinds jaar en dag de Nederlandse boekwinkels uitpuilde. Wie had géén goede herinneringen aan korte schooltijden, veel zwemmen, zorgzame bedienden, geheimzinnige natuur..” Ach, onzin, nooit zal het genoeg zijn. Kom vanavond - of wat mij betreft de hele dag - met verhalen / hoe Nederlands-Indië is verdwenen / telken male zal ik wenen.

Misschien daarom dat die passage uit Een handvol achtergrond van Hella Haasse mij door merg en been gaat. Deze passage staat in het hoofdstuk "Ogenschouw 1992', niet eerder gepubliceerd: “Tijdens mijn vorige bezoeken, in 1969 en 1976, keek ik naar de werkelijkheid om me heen met de blik, de instelling van iemand die het allemaal hoe dan ook als "eigen' beschouwde; zag ik de Indonesische maatschappij wel als volstrekt geëmancipeerd, maar voortgekomen uit en nog verbonden met de Nederlands-Indische wereld die ik heb gekend. Ik kon het gevoel er op een of andere manier toch bij te horen niet van mij afzetten. Maar nu is de navelstreng doorgesneden.”

Een van de vele emoties die mij daarbij bespringen is de beroemde filosofische paradox: het regent, maar ik geloof het niet.