Gilbert & George openen tentoonstelling van autodidact David Robilliard in Stedelijk; Moderne hiëroglyfen over seks en eenzaamheid

David Robilliard, "A roomful of hungry looks', tot 1 juni in het Stedelijk Museum Amsterdam. De dichtbundel 'Life isn't good, it's excellent' wordt bij aankoop van de catalogus cadeau gegeven. Prijs ƒ 59,90.

AMSTERDAM, 9 APRIL. Bij de receptie van het Stedelijk Museum staan twee identieke reiskoffertjes (de één blauw, de ander grijs) met twee vrijwel identieke geruite jassen erover gevouwen. Ze behoren toe aan Gilbert & George, het in Londen wonende kunstenaarsduo dat sinds jaar en dag als één persoon naar voren treedt. Gisteren waren ze in Amsterdam om de tentoonstelling van de schilder en dichter David Robilliard te openen, hun in 1988 overleden, dierbare vriend. Gilbert & George, respectievelijk 49 en 50 jaar oud, staan bekend als de gentlemen van de kunstwereld: altijd correct gekleed, eenieder minzaam te woord staand maar nooit uit de plooi vallend.

Met hun houterige optreden en uitdrukkingsloze gezichten vormen zij namelijk living sculptures, wandelende kunstwerken. Ook tijdens de persconferentie gisteren, waarbij zij alleen maar zwegen, zaten ze erbij als etalagepoppen. Directeur Rudy Fuchs typeerde Robilliard als een "outsider'. Het werk van zulke kunstenaars, waaronder Fuchs naast Van Gogh, Picabia en Beuys ook Gilbert & George schaart, heeft vaak een explosief karakter en houdt de kunstwereld alert. Outsiders zijn volgens de nieuwe directeur de "doorn in het vlees' van de officiële kunststromingen en daarom onmisbaar in een museum als het Stedelijk.

Voorafgaand aan de persbijeenkomst loop ik met Gilbert & George langs de ongeveer 25 schilderijen en 50 tekeningen die nu van de autodidact Robilliard (Guernsey 1952 - Londen 1988) worden getoond. Ze zijn vriendelijk en beantwoorden alle vragen bereidwillig, elkaar aanvullend zonder elkaar ooit in de rede te vallen. Wat direct opvalt is hoe na hun aan aids overleden vriend hen aan het hart ligt, waardoor de toon van het gesprek gaandeweg persoonlijker wordt.

Hoe heeft u David Robilliard ontmoet?

“Dat was in 1979 via zijn vriend, de kunstenaar Andrew Heard. David was toen al een gedreven jongen, hij was altijd aan het schrijven en tekenen. Middenin een bar zat hij heel geconcentreerd portretjes te maken van de mensen om zich heen. Hij was zo levendig, zo verschrikkelijk energiek! Vanaf de eerste ontmoeting hadden wij vertrouwen in hem, we gelóófden in hem. David dacht dat er niemand was die hem aardig vond, wij hebben hem zelfvertrouwen gegeven.”

Op de tentoonstelling hangt een tekst van Robilliard, een soort open brief aan u, waarin hij zegt: "To describe Gilbert & George is not really possible. Can you love anybody more than your mum and dad?'

De twee kunstenaars lachen vertederd: “Ja, wij waren een soort familie voor hem. Overigens, het portret dat naast deze tekst hangt en dat hij van ons maakte, zagen we hier voor het eerst; we waren ons er niet van bewust dat David ons ooit getekend had. In 1984 hebben we zijn eerste dichtbundel, Inevitable, in eigen beheer uitgegeven. Vanaf die dag werd David een persoon. Toen er een boek van hem was, geloofde hij pas dat hij bestond. Hij werd volslagen uitzinnig, zond zelfgemaakte ansichtkaarten rond met daarop gedichten en tekeningen, hij schreef zijn naam in graffiti op de Londense muren en in de metro. Zijn hele leven lang was hij overexcited. Ik geloof dat er geen avond is geweest dat hij niet uitging. Hij wilde wereldberoemd worden en schreef daarom zijn naam ook zo groot op elk doek. Tenslotte kende iedereen in het Londense nachtleven hem wel, ook popsterren als die van Frankie goes to Hollywood.

“Tegelijk stond hij zeer fijngevoelig tegenover het leven. Niet gehinderd door welk vooroordeel dan ook, vocht hij vóór iets, niet tégen de wereld. Liefde en begrip, dat heeft hij ons geleerd en dat droeg hij uit in zijn werk, hoe rauw de wereld ook is die hij schetst. Zijn schilderijen, tekeningen en poëzie zijn een cri de coeur; hij was heel eenzaam.” Afgemeten voegt Gilbert daar aantoe: “Hoewel niet eenzamer dan anderen, neem ik aan.”

Hoe beoordeelt u zijn werk?

“David Robilliard is de beste dichter en schilder die wij kennen. Zijn stijl is rechtstreeks, fris en origineel. Een kunstopleiding heeft hij nooit gevolgd, dat beviel ons ook zo aan hem. Enige verwantschap tusen zijn oeuvre en ons eigen credo Art for All is er dus wel. De kunst ligt op straat, zij moet zich met het leven zelf bezighouden. Vooral jongeren spreekt hij aan met zijn combinatie van beeld en taal waardoor onderwerpen als verliefdheid, seks, eenzaamheid en onmacht glashelder worden behandeld.” George ziet in het beeldende werk van hun vriend "moderne hiëroglyfen': “Hij heeft de geest van onze tijd gevat. Zijn werk vertoont soms verwantschap met graffiti, inclusief de schuttingtaal.”

Gilbert vertelt een anekdote bij één van de vele portretten die Robilliard maakte. “Dit is een zwerver die in onze buurt op straat woonde, hij reed op een fiets waarachter hij een zwerm dode vogels had gebonden. Hij is zo aandoenlijk weergegeven” George valt bij: “Weet U, mensen waren het enige waarvoor David belangstelling had.” Gilbert: “Elk klein detail interesseerde hem: wat voor schoenen ze droegen, alles. Maar vooral the beauty of faces.”

Hoe verder we vorderen in de tentoonstelling, des te langer worden de verhalen die Gilbert & George vertellen over hun verloren vriend. Ze lachen veel om Davids extreme gedrag: “Hij sprak altijd in poëzie, zodat elk woord nadruk kreeg. Niet zelden declameerde hij obscene one-liners; we hebben eens meegemaakt dat hij tijdens een diner om de tien minuten riep: "Lick me!' ” George scandeert de tekst enthousiast na. “Als je dat twee keer doet is het een grap, maar consequent volgehouden is het een performance.”

Humor is Robilliard niet vreemd, getuige het korte gedichtje: Life isn't lonely/ I call my fridge Tony. Maar er zijn ook levenswijsheden waar je bijna overheen leest omdat het woordgebruik zo simpel is: We're all waiting for someone / who never arrives/ to brighten up our lives. In de zalen van het Stedelijk is een geluidsband te horen uit 1987 waarop Robilliard op ernstige toon zijn gedichten voordraagt. Ronduit morbide is een dialoog over aids die hij verwerkte in een doek uit 1987, toen hij al ziek was: "I had safe sex last night' "Really?' "Yes, I went home alone'. Des te opvallender is het dat er nooit expliciete beelden van seks in zijn werk voorkomen.

Heeft David Robilliard u verteld dat hij aids had?

“O ja, hij vertelde het aan iedereen die hij tegenkwam, hij kon niet meer ophouden erover te praten. Hij hernoemde zichzelf op een gegeven moment zelfs David Robilliaids.” Gilbert: “Daardoor werd het reëel en kon hij het accepteren.” George: “Alleen zijn ouders wisten het niet, ze wisten ook niet hoe David leefde. Drie dagen voor zijn dood hebben we zijn vader en moeder gebeld en ze gesmeekt om over te komen van Guernsey omdat er iets aan de hand was met David.” Het is even stil.

“Weet u, David wilde een behoorlijk leven leiden. Daarom ging zijn werk ook over mensen: om zichzelf te leren begrijpen en zo het leven aan te kunnen. Datzelfde geldt trouwens voor ons. Aids is niet expliciet aanwezig in ons werk, maar wel als grondtoon. Het is de nieuwe verschrikking, een soort oorlog.”

U schrijft in het voorwoord van de catalogus dat u nog elke dag aan David denkt, terwijl u meermalen gezegd heeft dat vriendschap tijdverspilling is.

George: “David was family. Bij ons zocht hij gezelligheid, hij nestelde zich als hij op bezoek was, legde overal spullen neer. Hij was onze enige echte vriend.” Gilbert: “Tegenover hem hoefden wij onze pose van living sculptures niet op te houden. Jegens alle anderen doen wij dat wel en dat is heel vermoeiend, daarom houden wij de mensen altijd buiten de deur. De bundel met honderd gedichten van David die wij in eigen beheer hebben uitgegeven ter gelegenheid van deze tentoonstelling heet "Life isn't good, it's excellent', naar een tekst van David. Daarmee hebben wij onze belofte aan hem ingelost.”

George buigt zich naar mij toe: “Het laatste woord dat David uitsprak, een kwartier voor zijn dood, was "beautiful'. Gilbert en ik stonden op het punt om naar een opening van Andrews werk te gaan en ik had een das om met rozen erop. David wees ernaar en zei: "beautiful'. ”

Achter de bril van George wellen tranen.

Als het tweetal even later poseert voor de fotograaf, schieten ze moeiteloos in hun rol van sculptuur; strak kijken ze in de lens, de catalogus van David Robilliard op identieke wijze tegen hun lichaam geklemd.