Een zusje!

Sjoerd Kuyper, Robin en Suze. Met illustraties van Sandra Klaassen. Uitg. Leopold. ƒ 22,90. 4-6 jaar.

Henk Figee, Jesse Pantoffel krijgt een hond en Jesse Pantoffel gaat kamperen. Met illustraties van Annemarie van Haeringen. Uitg. Van Goor. ƒ 16,50 per deeltje. Vanaf 5 jaar (zelf lezen: 6-7 jaar).

Piet en Joeri Breebaart, Als je dood bent, word je dan nooit meer beter? Uitg. Lemniscaat. ƒ 21,50. Vanaf ca. 5 jaar.

Het begint al bij de boekjes van Dick Bruna. De tekeningen zijn ijzersterk, maar de teksten zijn doorgaans knullig, met veel stoplappen (“hoihoi, dat vind ik fijn”) omdat het allemaal per se moet rijmen. Voor iets oudere kinderen verschijnen er elk jaar ik weet niet hoeveel prentenboeken, maar ook dan is het, wat de tekst betreft, vaak behelpen: onnozele praatjes bij prachtige plaatjes, slechte, in een vloek en een zucht in elkaar geflanste vertalingen, het is helaas meer regel dan uitzondering.

Kleuters worden blijkbaar geacht te kijken en niet te luisteren, want naar echte voorleesboeken voor deze leeftijdscategorie moet je zoeken. En dat terwijl er aan kleuters zoveel eer te behalen valt omdat er zoveel nieuw voor ze is. Gelukkig zijn er recentelijk weer eens een paar boeken voor kleuters verschenen die bij uitstek geschikt zijn om voor te lezen. Robin en Suze van Sjoerd Kuyper biedt een hernieuwde kennismaking met de hoofdpersoon uit Robins zomer (1990). Inmiddels is Robin, destijds een ventje van drie, iets ouder geworden: hij gaat naar school en heeft een voorkeur ontwikkeld voor woorden en uitdrukkingen waarvan hijzelf niet helemaal begrijpt wat ze betekenen.

In Robin en Suze staat Robin een ingrijpende gebeurtenis te wachten: hij krijgt een zusje. Geen opzienbarend gegeven in de kleuterliteratuur, maar Kuyper maakt er iets bijzonders van door zijn verhaal consequent en met gevoel te vertellen vanuit het perspectief van het jongetje. Kuyper houdt niet van uitleggen, hij laat de observaties van zijn hoofdpersoon voor zichzelf spreken. Wanneer Robin argeloos opmerkt dat zijn moeder "iets kleins' zit te breien, trekt hij niet de conclusie die de voorlezende vader of moeder trekt. En als hij de nacht na de geboorte van zijn zusje zijn vader met tranen in de ogen in de keuken aantreft, met een flesje bier in de hand, constateert hij dat papa raar doet. Maar het komt geen moment in hem op dat de man waarschijnlijk iets te veel op heeft: van dat soort dingen heeft hij eenvoudigweg geen weet, ze passen niet in zijn wereld.

Omdat Kuyper zich werkelijk inleeft in Robin, weet hij - dit in tegenstelling tot veel van zijn collega's - elke vorm van neerbuigendheid of meligheid te omzeilen. Kuyper neemt Robin serieus zonder dat zijn gevoel voor humor het laat afweten, zoals wanneer Robin en zijn vader overleggen hoe ze riddertje zullen gaan spelen. “"Jij was toch al de koning?' zegt Robin. "Welke koning? vraagt papa. "De koning te rijk!' ” luidt Robins antwoord, want dat heeft hij zelf zijn vader horen zeggen na de geboorte van de baby.

Van Henk Figee verschenen twee nieuwe delen in de zogeheten Jesse Pantoffel-reeks, waarin "dingen die Jesse voor het eerst meemaakt' worden behandeld: Jesse Pantoffel krijgt een hond en Jesse Pantoffel gaat kamperen.Figees benadering is oppervlakkiger dan die van Kuyper, op enige pretentie valt hij niet te betrappen. Deze schrijver is er in de eerste plaats op uit om zijn publiek te vermaken, en dat lukt ongetwijfeld, alleen al vanwege een paar poep- en piesgrappen: succes verzekerd. Maar daarnaast weet Figee simpele onderwerpen met smaak te vertellen, hij hanteert een vlotte stijl met veel dialogen, die illustratrice Annemarie van Haeringen inspireerde tot minstens zo vlotte tekeningen: de hond Van Halen die Jesse in het asiel uitkiest, kwispelt ons van de pagina's tegemoet.

Voor dit soort vrolijkheid is in het fraai uitgevoerde Als je dood bent, word je dan nooit meer beter? van Piet en Joeri Breebaart geen plaats. Daarin wordt zonder omhaal verteld hoe de kleine Fred Konijn op zijn manier de dood van zijn broertje beleeft en verwerkt. In eerste instantie begrijpt Fred maar weinig van al dat verdriet om hem heen (“Waarom huilen ze nou? Hij vindt het eng, maar hij huilt niet”), maar langzamerhand dringt het tot hem doordat zijn broertje niet meer terugkomt en dat het leven doorgaat. Niet alleen vanwege het onderwerp maar ook door de naamgeving van de dieren in dit boek (Egel, Mol, Bever) ligt de vergelijking met Max Velthuijs' Kikker en het vogeltje voor de hand. Velthuijs wint het op alle fronten, maar op de sobere, integere aanpak van vader en zoon Breebaart - die dit boek maakten na de dood van Joeri's tweejarige broertje - valt niets af te dingen. In ieder geval wordt er in dit prentenboek niet maar wat aangeklungeld met de tekst, en dat is al heel wat. En de kinderlijke, ietwat stijve potloodtekeningen, zo te zien met noeste ijver ingekleurd, zijn behalve aandoenlijk ook apart.