Een romp op zoek naar een hoofd; De illusies van Georges Melies op een Parijse rijnaak

Op een rijnaak in de Seine vinden elke avond de wonderlijkste dingen plaats. Jan Madd vertoont er de kunsten van Georges Méliès, aanvankelijk illusionist, later filmpionier. Méliès begreep onmiddellijk wat de mogelijkheden waren van de pas ontdekte cinéma: hij zet een forse dame op een stoeltje, één onhoorbare knip met de vingers en er zit een skelet op de stoel, dat razendsnel verandert in een lieflijk meisje, dat om hooggegooid wordt en in snippers naar de grond dwarrelt. In theater Métamorphosis herleeft "de tovenaar van het witte doek'.

Métamorphosis, Quai de Jemappes t/o nr 198, t/m 15 mei. Maandag t/m zaterdag, aanvang 21 uur, matinee op zondag 15 uur. Tel. 42613370.

Goochelaar is het woord niet. Jan Madd is illusionist, beter nog: prestidigitateur. Hij zet een assistent een kastje op het hoofd en draait dat vier keer in de rondte, zodat we door het geopende deurtje 's mans vertwijfelde gezicht op zijn nek onmogelijke rondjes zien draaien. Hij werpt twee duiven op en houdt slechts twee loze witte doekjes over. Hij tovert munten uit oren en neuzen, ja zelfs uit het kale hoofd van mijn buurman. Oh, magie admirable! roept hij, en daar verandert een ijl, vers geblazen zeepbelletje in een glazen bal. Hij laat een meisje zweven, schudt papieren bloemen uit een opgerold vel papier en zet iemand een omgekeerde kelk vol melk op het hoofd, waarna de vloeistof pompend uit diens elleboog weer tevoorschijn komt. En dan, tenslotte, tovert hij uit een regenbui van lovertjes de handtekening van de man die hier vanavond wordt herdacht: de illusionist en filmpionier Georges Méliès.

Op een 38 meter lange rijnaak, afgemeerd aan de Quai de Jemappes in Parijs, heeft Jan Madd zijn theater Métamorphosis ingericht - van buiten een saai ogend, witgeplamuurd schip aan een saaie kade, maar van binnen een negentiende-eeuws schouwburgje met krullerig smeedwerk, een krans van lampjes rondom de toneellijst, een sierlijk beschilderd plafond en honderd stoeltjes van pluche. Hij heeft het gemodelleerd naar het eertijdse Théâtre Robert-Houdin, dat in 1914 moest wijken voor een verlenging van de Boulevard Haussmann, maar voordien onder directie van Méliès gespecialiseerd was in het vertonen van oogstrelende tableaux vivants en wonderbaarlijke tovenarijen. Avond aan avond voert Madd hier nu de trucs van zijn grote voorganger uit, waarvan er heel wat allang niet meer op het huidige standaardrepertoire staan. En twee keer per avond, vóór en na de pauze, vertoont de in fin de siècle robe gehulde achterkleindochter Marie-Hélène Méliès een kwartier lang filmpjes van haar overgrootvader. Het filmdoek vult de toneelopening, terwijl zij ze, met een handmicrofoon in het zaaltje gezeten, annonceert en de pianist bijpassende tingel-tangelmuziek produceert. Elke avond spoedt Marie-Hélène zich, zó uit haar montage-werk bij het TF1-journaal, per motorfiets naar de boot. Que le spectacle commence!

“Mijn cinematografische carrière is dermate verbonden aan die van het Théâtre Robert-Houdin dat men ze niet kan scheiden,” zei Georges Méliès zelf. “Het is, alles overziend, mijn hang naar trucs, mijn hartstochtelijke liefde voor het fantastische, die mij heeft voorbestemd om uit te groeien tot de Tovenaar van het Witte Doek, zoals men mij noemt.” Maar is het, vroeg iemand, niet idioot voor een volwassen man om zich te wentelen in zulke feeërieke verzinsels? Hij antwoordde: “Natuurlijk zijn ze idioot! Maar geldt niet hetzelfde voor àlle mythologische verhalen, voor àlle sprookjes en voor àlle fantasieën?”

Schoenhandel

Hij was, zoals hij in zijn eigen filmpjes verschijnt, een springerig kereltje met een absurd gevoel voor humor. Marie-Hélène heeft van haar grootvader gehoord dat je met Georges Méliès altijd kon lachen. Zijn vader was een gezeten burger met een bloeiende schoenhandel, die het liefst had gewild dat Georges bij hem in de zaak kwam. “Maar vader,” vroeg de jongeman timide, “hoe moet het dan met mijn fantasie?” De vader keek hem verstoord aan en riep uit: La fantaisie, c'est pour le dimanche!

Nog even heeft Georges geprobeerd een keurige loopbaan op te bouwen bij Maison Méliès aan de Rue Taylor, in eerste-klas-schoenen voor heren & dames. Maar al snel verliet hij het ouderlijk huis, ondernam gedurfde reizen naar de variété-theaters van Londen en bekwaamde zich in de goochelkunst. Zijn enige concessie was zijn huwelijk met de buitenechtelijke dochter van de Nederlandse schoenenhandelaar Cornelius van Damme, een zakenrelatie van vader. Marie-Hélène raakt tegenover de Nederlandse verslaggever niet uitgesproken over de familiebanden met Nederland - en de uitstekende relatie die de nazaten onderhouden met het Filmmuseum in Amsterdam. Laatst is daar nog weer een verloren gewaand Méliès-filmpje teruggevonden, dat vervolgens prachtig werd gerestaureerd.

Toen hij zijn aandelen in de schoenenhandel had verkocht, kocht Georges Méliès van de opbrengst het ietwat versukkelde theatertje van de goochelaar Jean-Eugène Robert-Houdin. Hij begon er energieke voorstellingen te maken met de slapstick-achtige effecten die hij in Londen had gezien. Zoals de scène waarin een rondrennende man het hoofd werd afgehakt, waarna de romp een frenetieke zoektocht naar zijn hoofd inzette. En op een dag, in 1895, werd hij op de trap staande gehouden door Antoine Lumière, die de bovenverdieping huurde: “Hoor eens, Méliès, u die de gewoonte hebt met uw trucs uw publiek te verbazen - ik zou u graag vanavond willen ontvangen in het Grand-Café... U gaat dan iets zien dat wellicht ú verbaast.”

Lumière draaide films en Méliès moet zich onmiddellijk de mogelijkheden voor nieuwe, nooit eerder vertoonde mirakels hebben gerealiseerd. Als de wiedeweerga kocht hij een camera, die toen nog kinetograph heette, en begon ook filmpjes te maken. Aanvankelijk, net als Lumière, tafereeltjes uit het dagelijks leven, want ook daarop keek het publiek zijn ogen uit. Maar al snel ging hij toveren. Zelf heeft hij altijd verteld hoe hij bezig was opnamen te maken van de Place de l'Opera, het filmtoestel vastgezet op een stevig statief, en naderhand op het ontwikkelde filmpje een rare springer zag. Blijkbaar had de camera even gehaperd, want opeens veranderde een mannelijke passant in een vrouwelijke en een paard-en-wagen in een koets. Filmhistorici hebben er sindsdien op gewezen dat ook de Edison-film The execution of Mary Queen of Scots uit 1885, met een levensecht lijkende onthoofding, hem op dat idee gebracht zou kunnen hebben. Maar enfin, nu had Méliès dus de manier gevonden om de verbazingwekkendste verdwijningen en verschijningen te creëren: men zet de camera even stop, verandert de scène en filmt vervolgens uit hetzelfde standpunt verder. Monteren was niet meer nodig; de metamorfose had zich op de filmstrook in de camera voltrokken.

Het eerste van de achttien filmpjes die Marie-Hélène in de rijnaak laat zien, Escamotage d'une dame chez Robert-Houdin uit 1896, was in werkelijkheid zijn zeventigste - want hij maakte er dat eerste jaar meteen al een stuk of tachtig, allemaal een minuut of twee lang en bijna allemaal met zichzelf als hoofdpersoon. Zonder het zo te bedoelen, maakte hij zichzelf zodoende ook nog tot de eerste echte filmster uit de geschiedenis. Een gracieus heertje was hij, zoals hij daar in rokkostuum voor het beschilderde achterdoek staat, met zijn kale schedel en zijn knevel met gepommadeerde punten. Hij zet een forse dame op een stoeltje, legt er een kleed overheen, trekt het kleed weer weg en de dame is verdwenen. Sterker nog: één onhoorbare knip met de vingers en er zit een skelet op de stoel, dat razendsnel verandert in een lieflijk meisje. Méliès tilt het meisje op, lijkt haar in de lucht te gaan werpen - en ze valt in honderd snippertjes uiteen. Einde filmpje. De magiër buigt, want dat was hij gewend uit het theater en dat hield hij gedurende zijn gehele cinematografische carrière vol. Waar vindt men tegenwoordig nog acteurs die aan het slot van hun film een buiging maken?

Orkestje

Gaandeweg ontdekte Méliès nog een andere techniek: die van de overvloeier. Hij filmde een scène en stopte daarna de reeds belichte en ontwikkelde filmstrook terug in de camera om er nieuwe opnamen aan toe te voegen. Zo schiep hij in 1900 het fabuleuze meesterwerkje l'Homme orchestre. De tovenaar verschijnt ditmaal met een dirigeerstokje in de hand en neemt plaats op een kruk die in het midden is opgesteld, tussen drie stoelen links en drie stoelen rechts. Uit zijn zittende gestalte maakt zich een tweede Méliès los, met een viool, die op de eerste linkerstoel gaat zitten. Uit hem verrijst een derde met een banjo. En zo verder, tot er aan weerszijden van de dirigent zes muzikanten zitten die allemaal Méliès zijn. Even beweegt het orkestje dat het een aard heeft en tenslotte vouwt de dirigent het ensemble met één machtig gebaar ineen, tot hij ook zelf verdwijnt. Buiging, fin.

Aanvankelijk bedoelde Méliès die filmpjes alleen maar voor zijn eigen theater, als intermezzo en extra attractie tussen de levende taferelen door. Photographies animées, heette het op de affiches. Maar steeds vaker draaide hij ze ook overdag, voor exploitanten van circussen, wassenbeeldenmusea, variété-theatertjes en kermistenten. De filmstroken werden per meter verkocht en vervolgens konden de nieuwe eigenaren ermee doen wat ze wilden. Ze werden nooit meer teruggestuurd. In de administratie bleven alleen publiciteitsfoto's, scènelijsten en getekende scenariootjes achter.

Op basis van die gegevens hebben de nazaten uitgerekend dat Méliès in totaal 503 filmpjes moet hebben gemaakt, in een tijdsbestek van twaalf jaar. Meer dan 165 zijn er tot dusver niet teruggevonden. Ze doken in alle windstreken op; niet alleen op de vlooienmarkt van Clignancourt of de Filmmuseum-bunker in Overveen, maar ook in een Amerikaanse bibliotheek en in het filmarchief van Christchurch in Nieuw-Zeeland.

“De hele familie is ermee bezig,” zegt Marie-Hélène na afloop van de voorstelling, bij een glas wijn in de art déco-foyer. “Zelf heb ik al eens in de metro een filmpje in handen gekregen door dat te ruilen voor een antieke vaas. Je moet er voortdurend op bedacht zijn dat iemand er weer eentje weet te vinden. Dat is ook een reden waarom we niet meer toestaan dat er films worden vertoond buiten aanwezigheid van één van de familieleden. Niet alleen om op de auteursrechten te letten, want die berusten bij ons, maar ook omdat er altijd een kans is dat iemand van de aanwezigen opstaat en zegt dat hij misschien nog wel zo'n filmpje op zolder heeft liggen.”

Zelfs het schrijven van de biografie is binnen de familie gehouden: kleindochter Madeleine, een nicht van Marie-Hélène, is de auteur van het bloemrijke boek Méliès l'enchanteur, dat bovendien in eigen beheer werd uitgegeven.

Morbide

Ongebreideld was zijn fantasie. Uit zijn sigaretterook doemden bewegende hoofden op, schilderijen en standbeelden kwamen tot leven en vervaarlijke mannen werden moeiteloos gedemonteerd. Odysseus zag in de spelonk op zijn mythische eiland niet alleen een paar dansende gratiën, maar ook een mensenhand die opeens metersgroot leek. Soms was het ook zorgeloos morbide. Op een Turks marktplein worden vier gevangenen met hun hoofden in een lange plank gezet, waarna de beul met zijn kromzwaard in één klap al die koppen laat rollen. Maar de rompen maken zich los uit de omknelling en grijpen, terwijl de beul niet oplet, hun hoofden terug, waarna ze zich toch nog uit de voeten maken. En telkens maakte Méliès bij al die spirituele verzinsels een deksels dansje - uit pure opgetogenheid, denk ik, om zo'n onuitputtelijk reservoir van magische mogelijkheden.

Vlak voor de Eerste Wereldoorlog was het afgelopen. Zijn theater werd met de grond gelijkgemaakt en als filmproducent en -distributeur moest hij het afleggen tegen de slimmere Charles Pathé, wiens naam tot op de dag van vandaag aan de Franse filmindustrie verbonden is gebleven. “Pathé beconcurreert me niet,” zei Méliès eerst nog. “Hij doet me na. Dat is niet hetzelfde.” Soms was de diefstal echter nog veel schaamtelozer. In één van de filmpjes die Marie-Hélène laat zien, heeft Méliès om auteursrechtelijke redenen - wijs geworden door de illegale kopiering van zijn werk - zijn handelsmerk in het decor geschilderd. Althans: dat moeten we op haar gezag aannemen, want in de rechteronderhoek zien we alleen een zwart vierkantje. Blijkbaar heeft iemand dat vignet, beeldje voor beeldje, weggekrast.

Daar kwam bij dat nu uit Amerika de stroom van slapstick-films op gang begon te komen, die met hun logischer verhaallijntjes en hun stevig aangezette gooi- en smijt-effecten ook het Franse publiek in hun ban kregen. Méliès hield op met filmen en hield zich in leven met het ontwerpen van decors en mise en scène voor de talloze opera- en operette-gezelschapjes in het Parijs van de jaren twintig. Een decennium later trof een journalist hem aan op het station van Montparnasse, waar de oude baas een nering met speelgoed en bonbons bleek te drijven. Bijna niemand wist toen meer wie hij was. Maar die journalist bewerkstelligde dat Georges Méliès (1861-1938) in de laatste jaren van zijn leven toch nog een paar keer, in de schaduw van Pathé en de gebroeders Lumière, kon worden gehuldigd. “Hij is de uitvinder van het cinematografische spectacle,” schrijft de grote René Clair in het voorwoord van de biografie.

Jan Madd spreekt van un créateur génial aan wie hij veel te danken heeft. Helaas trekt hij met deze ode, sinds begin maart, minder publiek dan met eerdere variété-voorstellingen zonder centraal thema, maar in artistiek opzicht heeft hij veel baat gehad bij zijn speurtocht in het Méliès-repertoire. Die tijdelijke teruggang in inkomsten hoopt hij vanaf juni goed te maken met een nieuwe show die meer op de toeristen ingesteld zal zijn. De boot vaart dan naar een plek in de Seine, nabij de Nôtre Dame. En daarna? Hij weet het nog niet zeker; misschien kan de verslaggever eens informeren of er in Nederland belangstelling voor zijn varende theater zou bestaan. De motor zit nog in de aak, dus de reis kan geen probleem zijn.