Edmund Gosse over zijn godsdienstige jeugd; Ik mag van de Heer naar een feestje

Edmund Gosse, Vader en zoon. Een studie in twee temperamenten. Vert. Eugène Dabekaussen en Tilly Maters. Nawoord Richard Holmes. Uitg. L.J. Veen, 272 blz.Prijs ƒ 39,90.

Stel, je vader zegt tegen je: “Wat je ook nodig hebt, zeg het Hem en Hij zal het je geven, als het Zijn wil is.” Uitstekend, denk je. Ik heb een grote gekleurde bromtol nodig. De volgende dag er naar behoren om gesmeekt, zorgvuldig eraan toevoegend "als het Uw wil is'. Blijkt dat je eigenlijk alleen mag bidden voor de bekering van de heidenen of de teruggave van Jeruzalem aan de joden.

Nog zo'n misverstand. Je wil naar een feestje, maar het gezin waar dat feestje plaatsvindt is een stelletje doopsgezinde lichtgewichten en je vader trekt zich met je terug om de zaak aan de Heer voor te leggen. Gloedvol wordt er gebeden en daarna kijkt vader je vol vertrouwen aan en vraagt: “En, wat is het antwoord dat de Heer je geeft in Zijn goedheid?” De wil tot rebellie stroomt als wijn door je aderen en je antwoordt schril: “De Heer zegt dat ik naar het feestje mag gaan.”

Het zijn scènes uit een verhouding tussen vader en zoon in het Engeland van het derde kwart van de negentiende eeuw, opgetekend door "the official British man of letters', Edmund Gosse (1849-1928). Van die criticus is weinig gebleven. Het werk van Gosse was een slap aftreksel van dat van Sainte-Beuve, zijn roem heeft zijn dood niet overleefd. Virginia Woolf noemde hem haar "dapper little grocer' en vatte daarmee het oordeel van een generatie samen. Maar de herinneringen aan zijn vader werden terstond als een groot boek erkend, ook door Bloomsbury. In de uitstekende vertaling van Dabekaussen en Maters heeft ook ons taalgebied er een meesterwerk bij.

Zo gemakkelijk als het is de kwaliteit van dit boek te herkennen, zo onvoorstelbaar is de wereld waarin het speelt. De bevindelijke preken uit mijn jeugd, uitgegalmd in het sobere wijkgebouw door een dominee die godbetert De Redelijkheid heette - Uw golven en Uw baren - verbleken bij het vertoog van verboden waarbij de Engelse dissenters zich thuisvoelden. De zwartste kousen van onze gereformeerde broeders zijn kleurrijke lichtzinnigheden vergeleken bij de grimmige onthouding van de Plymouth-broeders waarover de vader van Gosse in zijn vrije tijd waakte.

De vader en moeder lijken in onze ogen extreme obscurantisten - en dat waren ze natuurlijk ook, maar wel op een indrukwekkende manier. De moeder was schrijfster van opvoedkundige traktaten (Abraham and his children) die bij tienduizenden verkocht werden en die ze ook zelf op straat en in het openbaar vervoer uitventte. De vader, P.H. Gosse, was een beroemdheid op het stuk van de natuurlijke historie, de man die Engeland aan de botaniseertrommel en het aquarium hielp.

Zijn bekendste boek, Omphalos (navel) geheten, wilde een dam zijn tegen de aanzwellende vloedgolf van de evolutietheorie. Naar analogie van het feit dat Adam een navel had maar nooit een navelstreng bezeten had, kende alles wat geschapen was zijn retrospectieve kenmerken. De oude Gosse bewees dat God fossielen in de rotsen geplaatst had, niet om de gelovige op de proef te stellen of de geleerde te misleiden maar als resultaat van het drama dat de schepping was. De wereld, zo schreef hij, was op een heel precies moment geschapen, “as precise as the moment in which I write this word.”

Omphalos was de nekslag voor de oude Gosse als man van wetenschap. Met te meer ijver legde hij zich toe op het leiden van zijn schapen en het vormen van zijn zoon. Edmund was, zoals dat heette, een "verzegeld kind'. Elke kinderkwaal werd in de "Ruimte', voor de broeders, aan God voorgelegd, onder toevoeging dat als het de wil van de Heer was hem tot Zich te nemen er geen twijfel over kon bestaan dat het eeuwige heil hem deelachtig zou worden.

De beschrijvingen van die diensten, van de broers van Plymouth, zijn even hilarisch als ontroerend. Geknechten en verdoolden waren het, een pittoreske verzameling vaak zieke mensen die bijeenkwam boven een stal zodat de preek strijd voerde met ammoniakgeur en blafhoest. Gosse is heel goed in geuren. Het neurotische kind had op dit stuk bij huisbezoeken veel te verduren, “sommige zo zwak dat ze de neusgaten omhelsden in een feeërieke kus, andere pregnant, van het soort dat je "vloert', sommige zoet, met een vreselijke zurigheid, sommige bitter, met een vleugje ranzige haarolie. Er waren fijne mannelijke geuren van de varkensstal en het open riool, geuren die er niet om logen, maar er waren ook vrouwelijke geuren die zich vermomden als ik weet niet wat, waarin goedkope luchtjes, flesjes balsem en gomhars, vagelijk besmet leken met het residu van een emmer vuil water.”

Dit en de prachtige evocatie van Engelands natuur, waarin de jongen met zijn vader rondtrok - Edmund kon bogen op de ontdekking van een onbekende zeeanemoon, het ommuurde kurkje - zijn jubelende hoogtepunten in dit boek dat vrijwel geen zwakke momenten kent: de levende bloembedden die in de kommen en bekkens van de kust dreven, de grote garnalen “voorbijglijdend als transparante sloepen, anthea in het schemerduister wuivend met haar dikke, witte, wasachtige tentakels en het roodwier lichtjes wiegend op het water, als enorme rode banieren in een omgekeerde wereld.”

Beschrijvingen als deze zijn de analogie van de teerheid die eveneens de verhouding van vader en zoon kenmerkte. Het is juist de complexiteit van die verhouding, die in de volstrekte democratie van dit extreme protestantisme ook volledig omgedraaid kon worden - zoals wanneer de zoon de vader uitvraagt over de vrouw waarmee hij een tweede huwelijk wil aangaan: “Papa, vertel me niet dat ze een pedobaptist is” - die het boek zo aangrijpend en waarachtig maakt. Er kan geen twijfel over bestaan. Dit boek is een baken in de biografische literatuur en een meesterwerk in de fictie.