De levendste van allemaal; Het ballet Ruins of time van Wayne Eagling

Het ballet Ruins of Time van Wayne Eagling gaat over de dood, die in de danswereld, waar veel mensen aan aids sterven, nogal aanwezig is. Maar door te gaan dansen dat je dood bent lijkt het ineens alsof je, als danser, meer kunt dan andere stervelingen. Alsof je op het toneel, waar alles zo triomfantelijk en bijna provocerend tijdelijk is, ook de meester van de eeuwigheid kunt zijn.

Ruins of Time is vanavond nog te zien in het Muziektheater in Amsterdam. 20.15u.

Het grote spannende van toneel, muziek en ballet is het idee dat ik toeschouwer ben van mensen die iets hebben ingestudeerd. Eens bestond dat wat zij nu op het podium doen alleen maar op papier. Bij ballet ligt dat meestal iets anders, daar bestonden de bewegingen aanvankelijk alleen in het choreografenhoofd, maar dat is een nuanceverschil. Waar het om gaat is dat het begonnen is met een blauwdruk, een partituur, een scenario. Die is door de uitvoerenden vertaald in gedrag, klank en beweging. Er wordt iets ontastbaars tijdelijk tot leven gewekt. En alles is alleen tastbaar zo lang de vertolkers op het toneel zijn.

Ik geloof dat we bij podiumkunsten niet alleen genieten van het eindresultaat, maar ook van het idee dat alles wat we te zien krijgen voorbeschikt is. Daar staan ze, de vertolkers, en ze zijn gevangen. Gebonden aan hun voornemen. Ze kunnen geen andere kant meer op dan die welke zij op moeten. Hun afloop is gewis. Ze zullen ook weer af.

Bij ballet kan deze onwrikbare gedetermineerdheid des te spannender zijn omdat er ook nog muziek klinkt, en die fungeert als de hoorbare blauwdruk. Er moeten door een danser precies zoveel passen gedaan worden als nodig is om aan het eind van de melodie in de armen van de danseres te vallen. Je hoort om zo te zeggen het scenario, en kijkt naar de vertaling ervan in beweging, en je voelt je een godje omdat je Schepping en Schepsel tegelijkertijd waarneemt.

Vertolkers moeten hoe dan ook volvoeren, en beschikken dus niet langer over een vrije wil. Die vrije wil is onze illusie, en tegelijkertijd de bron van onze klamste paniek. Onze zorgen zijn immers het gevolg van de keuzes die we hebben gemaakt, van de ogenblikken waarop we meenden dat we het allemaal ook anders hadden kunnen doen. Welbeschouwd bestaat het theaterpubliek uit één grote spijtige massa. Men had anders moeten leven. Zelfs, of juist, wanneer men het gevoel heeft door blind noodlot getroffen te zijn, begint men zijn hersenen af te pijnigen, bijvoorbeeld omdat men gehoord heeft aan een ziekte te lijden - men had indertijd ook geen roker kunnen worden, maar ook had men andere genen kunnen hebben, men had, had, had... alles is spijt, en door te denken aan het toeval dat het lot een fractie had kunnen verbuigen, doet men alsof men au fond vrij is. Men had zijn eigen werk kunnen zijn. Zo verzetten we ons tegen de blauwdruk, de onwrikbare partituur van het toeval. En genieten we in onze vrije tijd van mensen die zich volledig onderwerpen aan iets dat al lang, maat voor maat, of pas voor pas, bedacht is.

Het ballet Ruins of Time van Wayne Eagling, dat deel uitmaakt van het recente Tsjaikovski-programma van het Nationaal Ballet, gaat over de aartsveroorzaker van alle spijt, de dood. Het wordt gedanst in een soort onderwereld. Van een schuin aflopend plankier rolt gedurende het hele ballet een rij lichamen naar beneden, de orkestbak in. Zo moet het er voor veel mensen uit de danswereld, een van de domeinen waar aids systematisch rondwaart, uitzien: er is een Theater, en daar worden de lichamen van collegae ingeschoven. Er klinkt daar een langzaam, elegisch deel van de grootvader van alle balletmuziek, Tsjaikovski, en naast het plankier bewegen schemerige dansers. Hun wijze van bewegen is eerder worstelend dan dansant. Ze dragen Hades-achtige bodystockings. Er gloeit een glas-in-lood-raam op. Het ballet eindigt met de projectie van gezichten van gestorvenen aan aids. Sommigen zijn je bekend (Haring, Nureyev), anderen minder, en je neemt aan dat ze allemaal hebben behoord tot de collega-kring van Wayne Eagling, en mischien ook wel van de dansers. Het grijpt je aan. Je wil graag aan de doden denken opdat ze minder verdwenen zijn. Tegelijkertijd heeft het ballet je razend gemaakt, niet van woede, maar van ergernis. Je had het groeiende gevoel dat er met Ruins of Time een grens werd overschreden, maar je wilde daar beslist niet razend over zijn, want ergernis over andermans rouw is even stompzinnig als lachen om andermans rouwadvertenties. Toch vraag ik het me af: waarom vind ik ook een paar dagen later Ruins of Time zo aanmatigend?

Eindigheid

Het heeft, geloof ik, te maken met mijn overtuiging dat iedere danser telkens wanneer hij, na weken rücksichtslos repeteren, het toneel op gaat, iets doet wat voorbeeldig is, en tegelijkertijd is het desperaat. Hij creëert iets op basis van de blauwdruk van een ander, en bedient zich daarbij van het allerelementairste wat er bestaat: zijn lichaam. En wat hij met zijn lichaam doet bestaat alleen zo lang hij op het toneel staat. Zijn aanwezigheid duurt zelden lang, vaak maar tien minuten. Daarna gaat hij af, en dan is het enige wat er van hem overblijft een herinnering. Hij kent niet de trots van het boek waar alles keurig in is vastgelegd, of van de tentoonstelling die maanden lang kan worden bezocht. Soms wordt zijn dans op video opgenomen, maar daar is het nooit wat het op het podium, voor het publiek was. Alleen daar bestond hij. In een tijd waarin alles vereeuwigd en gereproduceerd kan worden is de danser de meester van de volstrekte eindigheid.

Hij doet dit voor de lol, voor zichzelf, omdat hij niet anders kan, voor de roem, dat weet ik ook wel. Toch is een danser, juist omdat hij alleen over zijn lichaam beschikt, altijd iemand die van alle mensen het letterlijkst uitdrukt hoe tijdelijk alles is. Als ik een ballet heel mooi heb gevonden denk ik dikwijls: dit bootst van alles het meest het leven na, want een danser die afgaat verdwijnt even subiet als een gestorvene. Toch is de danser er niet echt aangegaan, en was hij, toen hij danste, de levendste van iedereen, of laat ik zeggen: degene die je het hevigst van iedereen de sensatie kon bezorgen dat je leefde, en wel precies op het altijd weer even flitsende, kortstondige moment waarop je het meest van hem onder de indruk was.

Natuurlijk begrijp je dat mensen die zoveel met sterven te maken hebben als uitgerekend tegenwoordig dansers geen mooi weer willen spelen, en zich afvragen: wat betekent dansen nu helemaal in het licht van zoveel verdwijning en afscheid. Maar door te gaan dansen dat je dood bent (daar kwam het in dit ballet van Eagling op neer) lijkt het ineens alsof je, als danser, meer kunt dan andere stervelingen. Alsof je op het toneel, waar alles zo triomfantelijk en bijna provocerend tijdelijk is, ook de meester van de eeuwigheid kunt zijn.

Eaglings choreografie probeerde iets onmogelijks: een soort solidariteit betuigen met al die onherroepelijk gestorvenen, en, om zo te zeggen, "mee te sterven'. Dit pakte uit als een vertoon van koketterie, zoals iedere poging om verder met een dode mee te gaan dan tot waar je je sterven kunt voorstellen, altijd iets kitscherigs heeft, en vooral: iets onaanschouwelijks, en retorisch. We vertellen hoe dan ook na, en dat is al erg genoeg, daar hoeven we niet ook nog aan toe te voegen wat we ons niet kunnen voorstellen. De rollende lichamen, de acrobatische schimmen, de klei-achtige pakken, het onaardse licht, het was allemaal niet precies, niet nauwkeurig, niet echt het produkt van verbeelding maar: een globale, cliché-matige verbeelding van een al even globaal en clichématig idee, "onderwereld' geheten, of "niets'.

Er is wie weet, maar een manier om onherstelbaar treurig te zijn en toch het toneel op te gaan, en dat is door je voor te nemen precies dat te doen wat de doden niet meer kunnen, maar wel konden. Dat is de methode Orpheus: afdalen en mee omhooglokken en niet omkijken. Op een of andere manier maakte de galerij van opgloeiende doden aan het eind van deze choreografie, juist omdat het beeld niets met de dans te maken had, maar zo overduidelijk een literaire ingreep was, de afgebeelden nog doder dan ze al waren.