De hofdwerg: bespot en spottend

Morgen wordt in het Teylers Museum in Haarlem een merkwaardige expositie geopend: "De tentoongestelde mens. Reuzen, dwergen en andere wonderen der natuur'. Het is de eerste keer dat in Nederland de mens als "rariteit' het onderwerp van een expositie vormt. Allerlei bizarre voortbrengselen van de natuur, waarmee kermis- en circusbazen vroeger hun brood verdienden, staan er te kijk.

Op de tentoonstelling in Haarlem is geen levend wezen te vinden; dat is hét grote verschil met de vertoningen van toen. De geëxposeerde mens staat nu op sterk water, is geschilderd, gefotografeerd of als skelet aanwezig. Het leven, waarin hij gelijk is aan de normaal gevormde toeschouwer, is er uit geweken. En het is juist de combinatie van een geestelijk gezond leven in een gedeformeerd lichaam die hem tragisch maakt en - voor velen - lachwekkend.

In 1507 voerde een groep erudiete hovelingen aan het hof van Urbino een reeks interessante gesprekken, die later door Baldassare Castiglioni werden opgeschreven in Het Boek van de Hoveling. Ook de humor kwam ter sprake. Een van de aanwezigen zei daarover: “De oorzaak nu, (..) waaruit het lachwekkende voortkomt, bestaat in een zekere misvormdheid. Want men lacht alleen om dat wat niet naar de regel is en dat verkeerd schijnt.”

Toen Castiglioni's boek in de 16de eeuw furore maakte, waren er aan vrijwel alle Europese hoven dwergen te vinden. Hun grappen kenden een lange traditie, die zeker teruggaat tot de Romeinse Oudheid. De dwergen deden potsierlijke dansen, maakten dierengeluiden, imiteerden hooggeplaatste personen en hadden het recht om ongestraft alles te zeggen wat hen voor de mond kwam. Afbeeldingen van dwergen komen we door alle eeuwen heen tegen.

Buitelend en gekke bekken trekkend versierden gebochelde dwergen de marge van een Spaanse bijbel uit de 13de eeuw. Een eeuw later speelden ze een belangrijke rol in de ridderroman Amadis de Gaula. Nog een eeuw later hadden ze aan het Spaanse hof zo'n hoge status verworven dat Dona Maria, gemalin van koning Alfonso V, voor haar geliefde hofdwergvrouwtje Borra in de kathedraal van Barcelona een bronzen grafmonumentje liet oprichten. Borra's effigie is nauwelijks groter dan een pop en volgens de hofmode gekleed. Dwergen vormden voor alle hooggeplaatsten een passend geschenk. Bij een vorstelijk huwelijk werden ze vaak meegegeven aan de bruid. Tijdens het bruidsbanket sprong de dwerg, tot verrukking van alle gasten, uit een pastei tevoorschijn om een vers voor te dragen. Ook musiceren behoorde tot zijn bekwaamheden.

Om hun lichamelijke gebreken te compenseren ontwikkelden de kleine mannen en vrouwen vaak een creatief talent of een gevaarlijke sluwheid. In de Nationale Bibliotheek in Madrid wordt een manuscript bewaard van een anoniem dwergvrouwtje dat poëzie schreef. Beroemd werd de hofdwerg Don Diego de Acedo, die in 1644 door Velázquez werd geportretteerd. De dwerg droeg de bijnaam El Primo en bracht het tot secretaris van koning Philips IV.

In de 16de eeuw had de Utrechtse hofschilder Antonis Mor van Dashorst (in Spanje Antonio Moro genoemd) in opdracht van Philips II een indrukwekkende serie hofdwergen geschilderd. De Spaanse koning was een sober levend, uitermate vroom en gefrustreerd man, die een ziekelijke belangstelling toonde voor menselijke gedrochten. Hij lachte hoogst zelden, maar toen de Franse hofdwerg Brusquet tijdens een banket op tafel sprong en zich temidden van brekend glaswerk, rinkelend bestek en vallende vruchten in het damasten tafelkleed rolde, lachte de koning als een waanzinnige.

Moro's mooiste dwergportret hangt in het Louvre; het is de ernstige hofdwerg van kardinaal Granvelle. Om zijn geringe afmetingen te benadrukken heeft Moro de dwerg naast een grote hond geplaatst, wiens halsband is versierd met de wapens van de kardinaal. De dwerg draagt een puntmutsje en een fluwelen hofkostuum met goudborduursel. Zijn narrestaf hanteert hij met allure, alsof het een generaalsstaf betreft. Het is niet uitgesloten dat het doek een parodie is op Titiaans portret van keizer Karel V met hond. Moro's schilderijen kennen de dwerghofnarren een sinistere waardigheid toe. Hun ogen weerspiegelen de ziel van een gekweld, volwassen mens, die gedoemd is zijn misvormd lichaam tot vermaak van de vorsten te exploiteren.

In werkelijkheid was de dwerg vaak het mikpunt van wrede spot. In het miniatuurpaleisje dat in het hertogelijk paleis van Mantua was gebouwd dwong Isabella d'Este haar dwergpaartjes tot voortplanting. Tot haar teleurstelling brachten de dwergvrouwtjes echter steeds normale kinderen ter wereld. Ook koningin Catharina de Medici van Frankrijk hield er dwergen op na die, verkleed als koningin Elizabeth van Engeland en de graaf van Leicester, allerlei obsceniteiten ten tonele moesten voeren. "The Virgin Queen' was razend toen ze er in Londen van hoorde. Zelf duldde ze geen mismaakte mensen in haar omgeving, met uitzondering van het dwergvrouwtje Mrs. Tomasin, dat altijd in Elizabeths nabijheid te vinden was.

Hoewel de dwergen zich in de loop van de 18de en 19de eeuw geleidelijk van het hof naar de kermis- en circuswereld verplaatsten bleven ze welkom aan de hoven. Koning Willem III en zijn gemalin Sophie ontvingen in hun Haagse paleis de Friese dwerg Jan Hannema, alias admiraal Tom Pouce (Tom Duim). Hij was slechts 70 centimeter lang. Zijn ouders, Pieter en Boukje Hannema, waren volle neef en nicht. Twee van hun dwergdochtertjes overleden jong. Jan, die op 23 april 1839 te Franeker was geboren, werd een vermaard acteur. Met zijn vader reisde hij heel Europa door. Hij had een grote collectie kleertjes waarmee hij zich kon vermommen als admiraal, vissertje, duivel, Madame de Pompadour, dokter of Napoleon. Toen hij in Buckingham Palace was voorgesteld aan koningin Victoria schonk zij hem een op zijn maat gefabriceerd ameublementje. Hij liet zich graag op zijn canapeetje fotograferen. De laatste levensjaren leidde Tom Pouce een teruggetrokken bestaan in Bergum, waar hij in 1878 op 39-jarige leeftijd overleed.

Deze Friese dwerg is een van de hoofdpersonen van de Haarlemse tentoonstelling. Wie meent dat er in onze moderne maatschappij geen plaats meer is voor de beeltenis van dwergen, ziet de huidige tuinkabouters volledig over het hoofd. Zij vormen rechtstreekse afstammelingen van de standbeelden der hofdwergen, die nog altijd de villaparken van Italiaanse renaissancepaleizen opvrolijken.