De glimlach van onfeilbaarheid; Farao Amenhotep III, heerser op vakantie

Grand Palais, Parijs. Metro: Champs-Elysées Clemenceau. T/m 30 mei. Dag. (beh. di.) 10-20u. wo. tot 22u. Catalogus ƒ 133,-.

Toetankhamon is het symbool van de rijkdom der Egyptische farao's geworden. Maar vergeleken met zijn grootvader, Amenhotep III, was Toetankhamon een middelmatig heerser die bovendien al op 18-jarige leeftijd overleed. Aan de 38-jarige heerschappij van Amenhotep III is nu een grote tentoonstelling in Parijs gewijd. “Menigeen denkt: "Heb je een paar van die statische Egyptische beelden gezien, dan heb je ze allemáal gezien'. Maar dat gaat niet op voor deze veelzijdige tentoonstelling, die enkele ongewoon realistisch vormgegeven voorwerpen omvat.”

Bij het Grand Palais luistert in de ochtendwind een lange rij bezoekers naar de viool van een conservatorium-studente. Het publiek stort munten in haar hoed alsof het een kerkezak is. Ze heeft zich geposteerd onder een reusachtig affiche van het hoofd van Amenhotep III. We zien de kruin van de vorst, gehouwen uit roze graniet. Hij slaat de violiste vanuit de hemel gade en luistert naar Brahms. En wij, op onze beurt, bekijken zijn gepolijste pruik. Een eer die weinigen zo'n drieduizend jaar geleden ten deel viel. Tijdens zijn aardse leven keek niemand op hem neer - allen keken op.

Want Amenhotep III, farao van 1391 tot 1353 voor Christus, was evenals zijn voorgangers en opvolgers "de vorst der vorsten' of, zoals de Fransen zeggen, "Le Magnifique'. Zijn naam betekent "Amon is tevreden', Amon, de koning der goden, die alom werd vereerd. Hij heerste over "de zwarte aarde', de oude naam voor Opper- en Neder-Egypte. Zijn rijk strekte zich uit van het noordelijke Syrië tot het zuidelijke Soedan. Samen met de goden zou hij 38 regeringsjaren lang welvaart brengen. Hoe goddelijk de farao zelf ook geweest mag zijn, de vrede en de vruchtbaarheid werden hem niet cadeau gegeven. Daar moesten offers tegenover staan, veel offers. En daartoe liet hij tempels, veel tempels bouwen, maar ook beelden maken en jubileumfeesten aanrichten.

De goden waren hem gunstig gezind. De hemel zond regenbuien en Amenhotep III kon zijn gemak ervan nemen, want zijn voorgangers hadden hem een erfenis van rust geschonken. Alleen in Soedan moest hij een keer optreden tegen een paar rebellerende stammen. Een vervelend intermezzo; alle andere uitstapjes stonden in het teken van de sportieve jacht, vooral op leeuwen. Het doden van woeste dieren betekende het bedwingen van de chaos, het overwinnen van kwaadaardige machten.

De mummie van Amenhotep is nooit gevonden. Misschien hebben plunderaars eeuwen geleden zijn hoofd, handen en andere ledematen aan westerse reizigers verkocht. Misschien is hij vermalen tot het wondermiddel Mizraim tegen wonden, fracturen, misselijkheid en zoveel andere kwaaltjes. Kwakzalvers wisten het nog tot in deze eeuw in New York aan te prijzen. In de dertiende eeuw al meldt de Arabische dokter Abdel Latif dat je in Egypte voor een habbekrats drie hoofden kon kopen, "gevuld met een pek-achtige substantie'. Andere mummies werden gekookt totdat het vlees van het bot viel. Vooral Fransen betaalden grif voor het vet dat op het wateroppervlak kwam drijven.

Amenhotep III vond in elk geval zijn voorlaatste rustplaats niet in het Dal der Koningen, maar in een daarbij gelegen vallei. Het zou hem verdrietig hebben gestemd dat zo'n middelmatig heerser als zijn kleinzoon Toetankhamon, die niet langer dan tien jaar de scepter zwaaide en op achttienjarige leeftijd overleed, dankzij de Engelse archeoloog Howard Carter in 1922 opstond uit het dodenrijk, om voor altijd als het symbool van de rijkdom der Egyptische farao's in onder- en bovenwereld voort te leven.

Amenhotep III zelf heeft daartoe eveneens zijn uiterste best gedaan. Van niemand die hem voorging zijn zoveel beelden gemaakt als van hem. Metershoge bakens verrezen in tempelsteden en woestijnen. Varend op de Nijl waande je je veilig want het was de farao die ver weg als de kolos van Memnon boven elke palmboom uitstak om een oogje in het zeil te houden. Kunstenaars mochten op zijn zegen rekenen. De koning hield van raffinement. Glas- en houtsnijwerk bereikten tijdens zijn heerschappij het summum van verfijning.

De grafgiften van Toetankhamon mogen dan in 1967 ruim een miljoen bezoekers naar het Grand Palais hebben gelokt, ze vormen maar een flauwe afspiegeling van de weelde waarin zijn grootvader leefde. "Het goud is er net zo overvloedig als het stof' schreven zijn tijdgenoten. Goud dat gedolven werd in de mijnen van de Nubiërs, die onder de strijdwagens en sandalen van de Egyptenaren waren vertrapt.

Eerzuchtig

De tentoonstelling in het Grand Palais, die eerder in Amerika te zien was, vertelt alles en niets over de eerzuchtige bouwer Amenhotep III. Het goud is grotendeels verdwenen, vermoedelijk in de zakken van schatgravers en handelaren. Wat bleef is de minder opzichtige franje van de mens, de versierselen van zijn imago dat, hoewel pas echt goddelijk na zijn de dood, bij leven al tot die hoedanigheid moest worden opgepoetst. Uit Amerikaanse, Europese en Egyptische collecties zijn nu de honderdvijftig meest representatieve stukken uit zijn regeringsperiode, vooral veel beelden, verzameld. Amenhoteps totale aardse erfgoed bestaat uit tweeduizend stukken.

Bij de ingang van de tentoonstelling waakt een levensechte, grijs granieten ram, een beeltenis van de beschermende god Amon, afkomstig uit Berlijn. Ooit stond hij samen met soortgenoten opgesteld bij de tempelzuilen van Soleb, die Amenhotep III ver weg in Soedan had laten optrekken. In de zuinig verlichte vitrines liggen houten lepels in de vorm van sierlijk gestileerde eenden, vissen en wilde honden. Zelfs zo'n akelige hond wordt als lepel begeerlijk. De betekenis van deze voorwerpen is nog steeds onduidelijk.

In weer een andere vitrine balanceert een naakt, kaal dienstmeisje van palmhout. Een grafgift, niet groter dan een ballpoint. Ze moest de dode gedienstig zijn, net zoals de 365 oesjebti's in de grafkamer, die kleine mensbeeldjes die voor elke dag van het jaar voor alle mogelijke karweitjes in het hiernamaals konden worden ingeschakeld. Op haar heupen fonkelen de laatste restjes goud van een ceintuurtje. Ze torst een zalfpot zoals een moeder een baby op haar heup laat steunen. Haar lichaam moet onder dat gewicht bij het bekken een knik maken.

Hoe klein ze ook is, die knik biedt een wonderlijk schouwspel. Want de Egyptische cultuur mag dan drieduizend jaar hebben standgehouden - totdat de Grieken omstreeks 300 v. Chr binnenvielen en de Egyptenaren zelf nauwelijks meer wisten wat hun hiërogliefen betekenden - zelden lukte het een Egyptische beeldhouwer om tot een geloofwaardige uitdrukking van beweging te komen.

Elke farao, schrijver of danseres verkrampte tot een apathisch wezen. De gevangenen van graniet en jaspis wisten zich geen raad met de ruimte om hen heen. Als ledenpoppen met pleinvrees had niemand het lef om een driedimensionale arm uit te steken naar een boomtak of een verre horizon. Veel later zouden het de Griekse beeldhouwers zijn die op verkenning uitgingen. Zij durfden wel in marmer de spieren te strekken voor een speerworp. Zij lieten hun jongelingen wel in het luchtruim tuimelen. Daarom denkt menigeen: "Heb je een paar van die statische Egyptische beelden gezien, dan heb je ze allemáal gezien'. Maar dat gaat dus niet op voor deze veelzijdige tentoonstelling, die enkele ongewoon realistisch vormgegeven voorwerpen omvat.

Zonneliederen

Amenhotep III geniet vooral de reputatie van "vader van Achnaton' (1365-1347), de mismaakt ogende farao en "ketter-koning' die zijn tegenstribbelende volk veroordeelde tot één god; tot Aton, de zonneschijf aan de hemel. De farao ook die getrouwd was met Nefertete, dat beeldschone hoofd in Berlijn. Vijftien jaar lang zou hij vervreemd van zijn volk af en toe wat zonneliederen dichten.

Men neemt nu aan dat Amenhotep III, die twaalf jaar oud als negende vorst van de achttiende dynastie de troon besteeg, de weg van het monotheïsme heeft bereid voor die eigenwijze zoon van hem. Want niemand anders dan hij identificeerde zich al met "een schijf die straalde over de gehele aarde', met de zon dus, de heerser over het universum. In tegenstelling tot Achnaton, die de regeringszetel verhuisde naar El Amarna, voerde Amenhotep III bewind vanuit het noordelijke Memphis, waar hij tussen de piramiden was opgegroeid, maar ook vanuit het zuidelijke Thebe. In Memphis werden zaken gedaan, Thebe was goed voor de heiligdommen en de koningsgraven.

Amenhotep III was op zijn beurt weer een afstammeling van de strijdlustige Thoetmoses III, die in zeventien veldslagen het Egyptisch rijk machtiger maakte dan ooit tevoren. Tijdens diens bewind al stroomden de rijkdommen uit de hoeken van het rijk de magazijnen binnen. Amenhotep III deed er nog een schepje bovenop. Uit Kreta, Mesopotamië en Babylonië werden koper, zilver, lapis lazuli, hout, wapens en juwelen ingevoerd. Uit Nubië en andere Afrikaanse streken kwamen goud, ivoor, wierook, dierenvellen en struisvogelveren. In het rijk zelf zwoegde het volk in nieuwe steengroeven. Want de farao hield vooral van het zwarte gesteente uit Assoean, dat, eenmaal tot het uiterste gepolijst, schitterde als een schone Nijl op een zomerse namiddag. Bedoeld voor de eeuwigheid reikten zijn beelden tot de hemel en beschenen de mensheid als de zon bij de dageraad, zo meldt een tempelinscriptie. Wie nu zijn koppen bekijkt, waar dus kolossale lijven bijhoorden, weet dat dat niet zó overdreven was.

Geen daadkrachtig heerser, maar een gemakzuchtig en genotziek mens moet Amenhotep III geweest zijn. In tegenstelling tot zijn vrouw Teje, een furie die er link uitziet. Haar realistisch gebeeldhouwde hoofdje van ebbehout, een hoogtepunt op deze tentoonstelling, is zo groot als een appel, maar uit die chagrijnig neerhangende mondhoeken, die arrogant opgetrokken wenkbrauwen en die kille ogen spreekt een karrevracht aan zakelijkheid, verbittering en verachting. Je zou je wel tien keer bedenken om aan zo'n heksekopje een gunst te vragen.

Teje zou geschiedenis maken als een van de invloedrijkste vorstinnen die Egypte ooit gekend heeft. Zelfs haar ouders, die vermoedelijk niet uit Egypte kwamen en zeker niet van adel waren, werden bijgezet in het Dal der Koningen. Ze schonk haar man tenminste vier dochters en twee zonen. Maar Achnaton werd waarschijnlijk niet bij haar, maar bij een concubine verwekt. Want de farao liet zich omringen door een uitgebreide harem. Hij huwde zijn dochters, maar haalde behalve Teje ook andere vrouwen van verre. Een van die buitenlandse prinsessen moest wel zes keer ten huwelijk worden gevraagd voordat ze instemde. Samen met 317 haremdames trok ze op naar Memphis. Een schouwspel waarvan helaas geen enkele afbeelding is nagelaten.

Toen Amenhotep regeerde vanuit zijn weelderige woestijnpaleis in Malkata op de westelijke Nijloever, tegenover Thebe, moet Teje hem op een ochtend hebben verteld dat ze zo graag ter plekke zou zwemmen. Dat moest kunnen, vond de farao. Op vuistgrote scarabeeën werd in het kader van een koninklijk pr-beleid melding gemaakt van heuglijke gebeurtenissen, zoals huwelijken, feesten en jachtpartijen. De aanleg van het pleziermeer voor Teje was er één van. Samen met haar man maakte ze er boottochtjes.

Papyrusplanten

Amenhoteps "tempel van de miljoenen jaren', zijn dodentempel voor de eeuwigheid in Kom el-Hettan, tegenover Luxor, is verdwenen. Egyptenaren van latere eeuwen plunderden graag de godshuizen als ze zelf een dak boven hun hoofd nodig hadden. De zitkolossen van Memnon - een mens reikt tot de enkel - zijn door schermutselingen, aardbevingen en opstuivend woestijnzand vergruisd tot abstracties. Van de tempel van Soleb staan alleen nog wat zuilen in de vorm van gestileerde papyrusplanten overeind.

Maar de farao heeft zich niet zomaar gewonnen gegeven. In 1989 vond men in Amenhoteps zuilenzaal bij Luxor nog een paar beelden, waaronder een tweeënhalve meter hoge sculptuur met de verleidelijke, archetypische trekken van de farao; amandelvormige ogen, een iets wippende neus, lange, smalle wenkbrauwen, en vooral een boeddhistische glimlach die niet alleen van onfeilbaarheid, maar ook van mildheid en inzicht getuigt. Datzelfde uiterlijk stond model voor zowel de gezichten van hoge ambtenaren als sommige gelaatstrekken van jonge meisjes. Wie wilde er niet een beetje op god lijken?

Wat rest in het Grand Palais zijn Amenhoteps roerende goederen: van de meer dan manshoge granieten leeuwegodinnen tot de bonte glazen parfumflesje ter grootte van een pink. Het is de bedoeling van de tentoonstellingsmakers dit keer niet de dood maar het ondermaanse bestaan van een Egyptische vorst te illustreren. Want, zoals een Egyptisch grafschrift al meldde: "Beter is het half in leven dan helemaal dood te zijn'.

De schemerachtige zalen met hun schuinlopende wanden van melkglas brengen desondanks de verhalen in herinnering van hen die zich eeuwen geleden door die nauwe piramideschachten wrongen en er flauwvielen van de stank. Hier valt niemand in zwijm. Vol ontzag fluisteren de bezoekers bij de vierkante "slotgrachten', de dunne plateaus van zwart glas waarin de vele tonnen wegende hoofden van Amenhotep III zich weerspiegelen.

De vorstelijke hoofden worden terzijde gadegeslagen door een rij zwarte, identieke Sachmet-beelden. De kaarsrecht zittende vrouwenlijven met leeuwekoppen zijn ongenaakbaar. Gods almacht is in Egypte in een duizelingwekkende hoeveelheid verschijningen vormgegeven. Godinnen met koehoorns en zonneschijven kunnen Hathor heten, maar ook Isis. En diezelfde Isis komt soms als valk te voorschijn, terwijl Hathor weer als koe kan optreden. In de tijd van Amenhotep III deelden maar liefst zes moeder-godinnen de lakens uit.

Vitrines met schalen in het hoogglanzende blauwgroene faience, met een enkele haarkam en vernuftig gegraveerde stukjes hoorn, worden op de tentoonstelling afgewisseld door de zoveelste minzame gedaante van de farao, of door onderdelen van hem, een torso, zijn voeten of zijn hoofd. Vlakbij die ene tentoongestelde sarcofaag, een goud-zwart exemplaar waarop zelfs de borsten van de overleden zangeres plastisch zijn uitgehouwen, staan kanopen - kruiken met ingewanden die in een aparte kist naast de mummies in de graven werden geplaatst. Dit keer bevatten ze de interne huishouding van een stier, want onder het regime van Amenhotep III moesten ook stieren, gedaanten van de god Apis, aan de mummificatie geloven.

Verder staan er in Parijs schrijvers opgesteld, wijze en machtige hofdienaren, zoals de gelijknamige Amenhotep, zoon van Hapoe, 's konings bouwopzichter. Een man met een geplooide buik die akelig veel op zijn meester lijkt en later ook tot godheid werd verheven. Er zijn albasten vazen te zien, enkele gaaf gekleurde reliëfs van vruchtbaarheidsgodinnen, omringd door een warenhuis van offeranden; glazen poppenhuis-amforen, zo mooi getint en ongeschonden dat je gaat twijfelen aan hun authenticiteit. En verder trekt natuurlijk het dierenrijk voorbij, in de vorm van amuletten en miniaturen: van kikkers tot gazellen.

Alles is er aan gedaan om een afgerond en indrukwekkend beeld te presenteren van "Le Magnifique'. Ook zonder al dat grafgoud kan hij het in raffinement opnemen tegen Toetankhamon. In stenen afmetingen overtreft hij hem zeker.

Toch is het niet de farao, maar zijn vrouw die me bij zal blijven. Als een appeltje vol verbittering, als een geïdealiseerde, elegante reliëf-gestalte, als een onopvallende vrouw met een loodzware vierkante pruik op haar hoofd en vooral als een brok gele jaspis, het meest gehavende juweel van deze tentoonstelling. Een mooiere tint zonnegeel dan van dit beeld in jaspis bestaat er niet. Die gave kaak, die tere aanzet naar haar hals en die sensuele lippen; gelaatstrekken die doen vermoeden dat Teje ooit net zo onwaarschijnlijk mooi was als Achnatons Nefertete. We zullen het niet te weten komen. Haar stralende hoofd is bijna volledig weggeslagen en van haar lijf is jammer genoeg geen spoor teruggevonden. Alleen de kin met die volle lippen is achtergelaten. Een volmaakt, bijna eigentijds symbool voor de geruïneerde Egyptische oudheid.