De beperktheid van de AKO Literatuur Prijs; Na de slachting

De jury van de AKO Literatuur Prijs maakte vorige week woensdag een lijst met zes boeken bekend die in aanmerking komen voor bekroning. Bij de zes genomineerde boeken mocht maar één non-fictie werk zitten. Zijn de verschillen tussen fictie en non-fictie echt zo duidelijk als het bestuur denkt? Zijn ze essentiëel? Waar begint het grensgebied? Zijn er eigenlijk wel boeken die voor honderd procent non-fictie zijn?

De nominaties voor de AKO-prijs:

Hella S. Haasse: Heren van de thee. Uitg. Querido. 302 blz. Prijs ƒ 35,-.

Kristien Hemmerechts: Kerst en andere liefdesverhalen. Uitg. Atlas. 191 blz. Prijs ƒ 26,90.

Marcel Möring: Het grote verlangen. Uitg. Meulenhoff. 236 blz. Prijs ƒ 34,50

Harry Mulisch. De ontdekking van de hemel. Uitg. De Bezige Bij. 901 blz. Prijs ƒ 75,-.

Willem Jan Otten: De wijde blik. Uitg. G.A.van Oorschot. 177 blz. Prijs ƒ 29,90.

Paul de Wispelaere: Het verkoolde alfabet. Uitg. De Arbeiderspers. 299 blz. Prijs ƒ 45,-.

Genomineerd hors concours, meldt uitgeverij De Bezige Bij deze week in een opvallende advertentie voor De jacht op Proteus van Piet Meeuse. Zo wordt wat eerst een voorspelbare strijd dreigde te worden, toch nog opgeschrikt door verrassingen. De veel geprezen essaybundel van Piet Meeuse mocht dit jaar weliswaar meedingen naar de fel begeerde geldprijs van 50.000 gulden - het boek werd door de jury zeer gewaardeerd, het behoorde bij de beste 24 en later bij de beste 6 - maar vlak voor het bekend worden van de nominaties moest het toch nog van de lijst worden afgevoerd. De bundel mag op 11 mei niet mee doen in de strijd om de zevende AKO Literatuur Prijs.

Geen tafel voor Piet Meeuse in het Amstel Hotel.

Als het niet het zoveelste incident was in de roerige geschiedenis van AKO Literatuur Prijs, zou je er om kunnen lachen. Genomineerd hors concours. Een troostprijs in het kwadraat. Een bekroning die inhoudt dat een bekroning achterwege blijft.

Wat is er mis met De jacht op Proteus? Het boek bevat een aantal voorbeeldige essays over literatuur. Maar dat blijkt nu juist het grote probleem. Het is geen literatuur, het gaat erover. Het is daardoor in de categorie non-fictie terechtgekomen, wat wil zeggen dat het alleen bij hoge uitzondering genomineerd kan worden. Volgens het verslag dat vorige week door de juryvoorzitter, de Belgische ex-premier Eyskens werd voorgelezen, heeft het bestuur van de Stichting AKO Literatuur Prijs de jury met deze bepaling willen vrijwaren voor "de onmogelijke taak' onvergelijkbare grootheden te beoordelen. Wie zou, zo moet de gedachte zijn geweest, een essaybundel met een roman kunnen vergelijken?

Het is een wat curieuze en ook wel doorzichtige redenering. Niet alleen omdat het vergelijken van fictie met fictie in veel gevallen waarschijnlijk even onmogelijk is. Maar ook omdat de reglementen nadrukkelijk wel in de nominatie van één non-fictie-werk voorzien. Non-fictie mag de AKO Prijs zelfs winnen. Wat niet mag, is blijkbaar dat de non-fictie een te belangrijke stem krijgt. Het moet een gewaardeerde buitenstaander blijven.

De jury van dit jaar heeft het er kennelijk moeilijk mee gehad. Ze hebben diverse non-fictiewerken moeten lezen en beoordelen, maar bij de eindstemming moesten er plotseling veel strengere normen worden aangelegd. In plaats van makkelijker werd het vergelijken alleen maar moeilijker. Wie zal nu ooit weten hoe Marja Brouwers, Anne Marie Musschoot, Wim Vogel, Anthony Mertens en Mark Eyskens over Piet Meeuse denken?

Om toch iets van hun twijfel te laten merken hebben zij nu bij het bekend maken van de nominaties laten weten dat ze, als het aan hen had gelegen, een heel ander lijstje hadden gepresenteerd. Zij zouden uit de 239 titels die waren gelezen slechts twee fictie-boeken hebben uitgekozen, en vier literaire non-fictieboeken. Behalve Het verkoolde alfabet van Paul de Wispelaere dat nu tot de eindselectie is doorgedrongen en het boek van Piet Meeuse, zouden ook Rudy Kousbroeks Het Oostindisch kampsyndroom en het reisboek De omweg naar Santiago van Cees Nooteboom zijn genomineerd.

Het niveau van de non-fictie in Nederland en Vlaanderen, zo mogen we hieruit concluderen, was in 1992 volgens de jury hoger dan dat van de fictie.

Kanonnen

Het is aan één kant jammer dat de jury haar wensen niet heeft kunnen doorzetten. Niet dat ik zo van non-fictie houd, of dat er nu geen interessante boeken op de lijst van zes staan. Maar het zou spannend geweest zijn om Harry Mulisch in de ring te zien met generatiegenoten als Rudy Kousbroek en Cees Nooteboom. Drie zwaargewichten tegen elkaar. Ieder die hun werk kent, weet dat zij ondanks alle verschillen in veel opzichten met elkaar te vergelijken zijn. De omweg naar Santiago, De ontdekking van de hemel en Het Oostindisch kampsyndroom lijken daardoor veel meer op elkaar dan de zes boeken die nu op de lijst met nominaties zijn terecht gekomen. De drie zijn aan elkaar gewaagd. Alle drie zijn het boeken die na veertig jaren van lezen, denken en schrijven tot stand gekomen zijn. Alle drie hebben ze een brede internationale en historische oriëntatie en alle drie komen ze hun auteur dichter dan ooit op de huid. Mulisch levert voor het eerst uitvoerig commentaar op zijn jarenlange hechte vriendschap met J.H. Donner en op het vaderschap, Nooteboom stelde het definitieve boek over zijn fascinatie voor Spanje samen en Kousbroek probeert eindelijk in een alomvattend boek zijn tegenstrijdige gevoelens over zijn jeugd en het koloniale tijdperk te bevatten.

Wat had ik hen graag in het Amstel Hotel gezien.

Tegen deze achtergrond is het meest opvallende aan het juryrapport dat het nergens op de onoverkomelijke verschillen ingaat die er tussen literaire fictie en literaire non-fictie bestaan. Zijn die verschillen echt zo duidelijk als het bestuur denkt? Natuurlijk, bij sommige boeken is het zonneklaar dat de inhoud voor het grootste deel verzonnen is en bij andere niet. Maar zijn ze essentieel? En waar begint het grensgebied? Zijn er eigenlijk wel boeken die voor honderd procent non-fictie zijn?

Niet verzonnen

Het probleem waarvoor de literaire non-fictie ons stelt laat zich goed illustreren aan de hand van een boek dat kennelijk wel door de beugel van het AKO-reglement kon, Hella Haasses Heren van de thee. De als roman gepresenteerde geschiedenis die hierin wordt verteld is duidelijk op de werkelijkheid gebaseerd. Het boek beschrijft het leven van de Nederlandse plantage-eigenaar Rudolf Kerkhoven en zijn vrouw tussen 1873 en 1918, een periode waarin in Indië grote veranderingen plaatsvonden en er een nieuw sociaal gevoel begon te ontluiken.

Hella Haasse heeft voor haar boek jaren archief-onderzoek verricht. Het enige wat ze daarna heeft gedaan, zegt ze in haar nawoord, is het materiaal selecteren en ordenen "volgens de eisen die een roman stelt'. Bijzonderheden die in een historische benadering aan de orde zouden moeten komen, liet ze weg, en de nadruk kwam te liggen op de individuele lotgevallen en herinneringen van de hoofdpersonen.

Het vreemde is dat dit alles ook opgaat voor Cees Nooteboom en Rudy Kousbroek. Ook hun stof is niet verzonnen. En net als bij Haasse hebben zij het materiaal geordend volgens de eisen van de (moderne) roman. Op de eerste bladzijde van haar roman citeert Haasse een toepasselijke uitspraak van de Franse schrijver Philippe Labro: “Un ouvrage de fiction mélange à sa guise le vrai et le faux, le vécu, le retranscrit, l'imaginaire, la biographie.” Elk fictie-werk mag zoveel werkelijke en biografische elementen opnemen als de schrijver wil.

Wat opvalt aan het lijstje dat na de grote slachting is overgebleven, is dat van alle non-fictieboeken nu net Het verkoolde alfabet van Paul de Wispelaere de strijd heeft overleefd. De jury geeft hiermee aan dat zij dit boek beter vindt dan het werk van Kousbroek, Meeuse en Nooteboom.

Het is voor mij meteen ook het grootste raadsel van de nominaties. Het verkoolde alfabet hoort in dit gezelschap helemaal niet thuis. Het boek zeurt. Het heeft niet alleen de vorm van een dagboek, maar ook de inhoud. De Wispelaere laat zien hoe hij zich op zijn zestigste heeft teruggetrokken in een boerderijtje in de provincie van waaruit hij zijn leven overdenkt. Hij wandelt in de tuin, haalt herinneringen op, brengt verslag uit van wat hij leest, en gaat tekeer tegen de moderne tijden. En alsof dat nog niet genoeg is vertelt hij ook nog uitvoerig over zijn verhouding met een veertig jaar jongere bewonderaarster die bij hem is ingetrokken.

De boeken van Kristien Hemmerechts en Willem Jan Otten zijn daarna een ware verademing. Kristien Hemmerechts bundelde in Kerst en andere liefdesverhalen tien korte verhalen over liefdesverhoudingen die hun niet geringe kracht aan de fantasie ontlenen. Willem Jan Otten beschrijft in zijn fascinerende De wijde blik twee driehoeksverhoudingen rond een blind geworden vrouw en een filmcriticus.

De beide boeken hebben met elkaar gemeen dat ze zeer vakkundig geschreven zijn. Ze ontroeren, ze evoceren, en ze verplaatsen de lezer naar minder gangbare verhoudingen. Maar voor het overige verschillen ze als de dag (Otten) en de nacht (Hemmerechts). Waar Hemmerechts beschrijft, daar analyseert Otten. Waar Hemmerechts een en al emotie is, daar rationaliseert Otten. Hemmerechts is de romanticus van de twee, Otten de classicist.

Het aardige is dat beiden zich in hun werk van hun beperkingen bewust zijn. Terwijl Hemmerechts probeert greep te krijgen op de gebeurtenissen, probeert Otten de teugels juist te laten vieren. Niet toevalig wijst een oudere scenarioschrijver aan het begin van zijn roman de schrijvende hoofdpersoon erop dat hij brutaler, boosaardiger moet worden. De vijand van de kunstenaar, zo laat hij zien, is de essayist. Ook Otten probeert krampachtig aan het essayistische te ontkomen, en dat lukt hem ook. Sommige gedeelten hebben daardoor een opvallend grote bezieling gekregen.

Winnaar

Ging het in voorafgaande jaren bij de AKO Literatuur Prijs om de vraag: "wie van de zes?', dit jaar lijkt het te gaan om de vraag: "Mulisch of niet?'. De ontdekking van de hemel is sinds zijn verschijning in oktober al zoveel keer als de winnaar van de AKO-prijs gedoodverfd, dat het voor een jury weinig eervol moet zijn om dat boek te bekronen.

Toch staan op het lijstje van zes dat nu circuleert genoeg andere goede kandidaten. Hella Haase zou geen slechte keus zijn, en zeker ook niet Marcel Möring, met zijn in het voorjaar verschenen roman Het grote verlangen.

Natuurlijk pleit veel voor Mulisch. Hij is een geroutineerd schrijver en zijn boek verveelt geen moment. Maar een belangrijk verschil tussen hem en Hella Haasse en Marcel Möring is dat de laatste twee een grote maatschappelijke betrokkenheid en een morele integriteit uitstralen die je bij Mulisch mist. Hoeveel actualiteit Mulisch ook in zijn boek heeft verwerkt, De ontdekking van de hemel blijft een wat steriel, gesloten, in zichzelf gekeerd boek. Zoals ook Mulisch altijd een wat in zich zelf besloten schrijver is geweest, die zich nooit veel van de buitenwereld aantrok. Mulisch is en blijft een sfinx.

Marcel Möring is er daarentegen veel meer op uit zijn isolement te doorbreken. In een interview met De Groene Amsterdammer zei hij twee jaar geleden over zijn huidige opponent: “Naar Cuba gaan en zingend terugkomen dat de oogst van het suikerriet zo geweldig was en ondertussen vergeten dat een Cubaanse dichter al jarenlang gevangen zit. Dat heeft niets met schrijven te maken.”

Het geeft aan waarin Möring verschilt van Mulisch. Hoewel Möring veel van de vormkracht en de routine van Mulisch mist, is hij sterker op het sociale en morele gericht. Waar Mulisch "zingt dat de oogst van het suikerriet zo geweldig is' vraagt Möring zich fronsend af hoe de rietkappers zich voelen. Mulisch schrijft over de morele dilemma's van deze tijd, maar wordt daarin nooit helemaal geloofwaardig. Hij houdt altijd iets van de lachende waarnemer. Möring is werkelijk in zijn medemensen genteresseerd.

In De ontdekking van de hemel staat één zinnetje dat mij bij herlezing vooral aan het twijfelen bracht. Als de protagonisten Onno en Max van hun avontuur op het revolutionaire Cuba thuiskomen is één van hun eerste zorgen om aan Cuba de onkosten vergoeden die zijn gemaakt voor hun verblijf. De vraag komt dan op wat ze met de uitstapjes en autoritten doen die hun zijn aangeboden? Dat, schrijft Mulisch, moet Cuba maar zien als een "investering' in de propaganda die zij de komende tijd voor het eiland zullen gaan maken.

Natuurlijk mogen deze opvattingen niet verward worden met de opvattingen van Mulisch. En er zit vast ook wel wat ironie in de woordjes investering en propaganda. Maar het illustreert wel dat Mulisch weigert het Cubaanse (en socialistische) dilemma serieus te nemen. Er is door mensen als Max en Onno (net als door Mulisch) propaganda bedreven voor Cuba, ze hebben zich daarvoor op Cuba laten rondrijden. Maar ze weigeren niet alleen dit recht te zetten, ze weigeren zelfs het problematische (en interessante) van dit gedrag onder ogen te zien.

In de visie die uit De ontdekking van de hemel spreekt, is het een kwestie van toeval of voorbestemming waar je politiek uitkomt. Mulisch ontkent daarmee de vrijheid die iemand heeft om voor of tegen iets te kiezen. Hij betwijfelt of de mensen verantwoordelijk zijn voor hun handelen. Het vraagstuk van goed en kwaad ziet hij in de eerste plaats als een intellectueel spel.

Sartre en Camus

Marcel Möring is daarentegen veel meer in de uitkomst van dat spel genteresseerd. Hij verbindt de psychologische ontworteling van zijn hoofdpersoon met de politieke en sociale ontworteling van de maatschappij waarin hij leeft. Möring laat zijn personages juist wel morele keuzes maken.

Het grote verlangen is geen erg toegankelijk boek. Totdat er in de laatste veertig bladzijden licht begint te gloren, wordt er veel getobd en gezocht in de duisternis. Maar als het boek uit is, heb je het - zeldzame - gevoel dat er een stelling is betrokken. Möring schrijft geëngageerd, op een manier die die mij herinnerde aan het beste werk van Sartre en Camus.

Het grote verlangen is een boek dat niet voor het plezier van de lezer is geschreven, maar het zou hem wel eens meer kunnen stempelen dan De ontdekking van de hemel dat doet.

Ook Heren van de thee zou wat mij betreft een waardige AKO-prijs-winnaar zijn, voorzover dat begrip na alle missers in de voorafgaande jaren nog iets zegt. De grote verdienste van dit boek is dat het op meeslepende wijze een voor velen onbekend stuk koloniale geschiedenis laat zien. Hoewel het op het oog een traditionele historische roman is, is het toch een boek van deze tijd. De thema's die Haasse naar boven heeft gehaald, sluiten veel meer bij onze belangstelling voor hiërarchische verhoudingen aan dan je zou verwachten. Ook dit boek zou daardoor wel eens een grotere invloed op de lezers kunnen hebben dan Mulisch. Het zou me niet verbazen als het nu al iets heeft veranderd aan de misschien wat sterk doorgeslagen anti-koloniale houding van na de oorlog.

Als alles doorgaat, hebben we vanaf volgende maand niet meer één maar twee particulier gesponsorde literaire prijzen: een van het onlangs opgestapte bestuur van de AKO-prijs, dat nu op zoek is naar een nieuwe sponsor, en een prijs van het AKO-concern dat werkt aan een nieuw bestuur voor zijn prijs. Misschien kan deze splitsing een oplossing brengen voor het geharrewar dat nu rond de fictie en de non-fictie is ontstaan. Wat let de AKO om haar prijs voortaan open te stellen voor literair hoogwaardige non-fictie? De huidige jury zou een jaar aan kunnen blijven en volgend jaar haar inzichten en ervaringen in de praktijk kunnen brengen.

Om vast op de nieuwe situatie vooruit te lopen geef ik een ongescheiden stemadvies:

1. Rudy Kousbroek: Het Oostindisch Kampsyndroom

2. Marcel Möring: Het grote verlangen

3. Hella S. Haasse: Heren van de thee

4. Harry Mulisch: De ontdekking van de hemel

5. Willem Jan Otten: De wijde blik

6. Cees Nooteboom: De omweg naar Santiago.

7. Piet Meeuse: De jacht op Proteus

8. Kristien Hemmerechts: Kerst en andere liefdesverhalen.

9. Paul de Wispelaere: Het verkoolde alfabet