Bobby Fischer in Den Haag

Gelokt door de titel reed ik gisteravond naar Den Haag om in de Koninklijke Schouwburg de Nederlandse première bij te wonen van Lars Noréns toneelstuk Bobby Fischer is Alive and Lives in Pasadena.

Helemaal gerust was ik er niet op, want een paar jaar geleden had ik een ander stuk van Norén gezien, Hebriana, waarin een bloedmooie Wil van Kralingen mij drie uur lang in een staat van totale aanbidding had gebracht door een staart van schitterend blond haar steeds op een andere manier over haar hoofd te draperen. Maar van het stuk zelf herinnerde ik mij alleen nog, dat ik vurig verlangde naar het moment waarop die Zweedse midzomernachtszon achter de horizon zou zakken.

Ook dit keer speelde Wil van Kralingen mee, dat zat dus wel goed, en bovendien was Fischer is Alive and Lives in Pasadena vertaald door Karst Woudstra. Van Karst Woudstra wil ik niets missen. Het liefst zou ik een toneelstuk willen zien, geschreven, vertaald en geregisseerd door Karst Woudstra, alle rollen gespeeld door Karst Woudstra, decor en kleding ontworpen door Karst Woudstra, requisieten uitgezocht door Karst Woudstra, waarbij Karst zelf in de pauze de koffie zou inschenken en na afloop van de voorstelling ook nog eens de jassen zou aanreiken, maar een mens kan nu eenmaal niet alles hebben.

In de auto verkneukelde ik mij al. Wie zou de rol van Bobby Fischer vertolken? In mijn fantasie stelde ik mij Bram van der Vlugt voor als Bobby Fischer, rafelig en getooid met een rode baard, daarbij eenkennig en inzichzelf gekeerd, maar vooral meeslepend, wanneer hij tenslotte in een dramatische scène een monumentaal "NEE' zou uitspreken tegen de rest van de wereld. Anne-Wil Blankers zou een uitstekende moeder van Bobby zijn en Wil van Kralingen zou natuurlijk Zita Rajcsanyi spelen, het meisje dat Fischer weer achter het schaakbord heeft gebracht. Voor Frank Ligtvoet had ik de rol bedacht van Spasski, Fischers tegenstander, wiens ego meedogenloos geknakt zou worden.

Bobby Fischer is Alive and Lives in Pasadena bleek een onvervalst familiedrama te zijn. De schrijver had twee stukken van Albee, Who is Afraid of Virginia Woolf? en A Delicate Balance, in de pan gegooid en daaruit een bouillon van clichés getrokken: een tirannieke en praatzieke moeder, een sukkelige echtgenoot, een dochter aan de drank en een schizofrene zoon, die in zijn momenten van helderheid natuurlijk echte wijsheden verkondigt.

Overigens kreeg ik, naarmate de avond vorderde, steeds meer het gevoel dat dit stuk niet geschreven was door een mens, maar door een computer. Wat Norén volgens mij heeft gedaan is dit: uit bestaande toneelstukken heeft hij allerlei passages, scènes en dialoogjes bijeengescharreld en die in zijn computer ingevoerd. Daarna heeft hij op de knop gedrukt. Toen kwam er zin voor zin een nieuw stuk uit, zoals een schaakcomputer een partij schaak speelt. Wereldkampioen word je er niet mee, maar wel kan je op die manier het niveau van een meester bereiken.

Het duurde bijna anderhalf uur, voordat in het stuk eindelijk over Fischer werd gesproken. Dan vertelt de schizofrene jongen over de schaker, die nooit meer wil schaken en als een kluizenaar leeft, vluchtend van hotelkamer naar hotelkamer. Die scène duurt één minuut. Daarmee is het onderwerp-Fischer afgesloten. In het programmaboekje legt Norén uit wat hij heeft bedoeld. Het schaken is voor hem een vlucht uit de werkelijkheid - weer zo'n cliché. Daarom moeten wij de titel van het stuk opvatten als een metafoor. Ook dat is een cliché, zelfs een van de oudste uit de literatuur, sinds Omar Khayyam in de elfde eeuw een kwatrijn schreef over pionnen, die als gesneuvelde soldaatjes weer in de doos worden opgeborgen.

Met zijn metaforische vlucht uit de werkelijkheid heeft Norén helaas nogal pech gehad. Nauwelijks had hij zijn toneelstuk voltooid, of Fischer begon prompt weer te schaken. Die actualiteit heeft ervoor gezorgd dat het stuk, ondanks alle oedipale verwijzingen - ook de freudiaanse complexen heeft Norén in zijn computer gestopt - nu alweer gedateerd is.

Rest mij te vertellen dat de acteurs zich vaardig door hun tekst heen ploegden. Aan hen heeft het niet gelegen. Jammer alleen, dat Wil van Kralingen voor deze rol heur haar heeft moeten afknippen. Of had zij een pruik op? Ik hoop het maar.