Artsen mogen soms zelf aan dement leven einde maken; Artsenorganisatie KNMG formuleert eisen voor de behandeling van ernstig demente patiënten

DEN HAAG, 9 APRIL. Alleen bij een ernstig demente patiënt met een eerder getekende wilsbeschikking en die lijdt aan onaangename lichamelijke verschijnselen zoals hevige pijn of hevige benauwdheid, mag een arts het leven patiënt actief beëindigen. In dat geval is sprake van ondraaglijk, duurzaam en uitzichtloos lijden.

Dit staat in een discussienota van de artsenorganisatie KNMG over levensbeëindiging bij wilsonbekwamen. Het rapport werd opgesteld door de Commissie Aanvaardbaarheid Levensbeëindigend Handelen. Eerder verschenen nota's over levensbeëindigend handelen bij zwaar gehandicapte pasgeborenen en comapatiënten.

De commissie vindt dat de arts alleen in dit ene geval gehoor kan geven aan de wilsbeschikking van de patiënt, tenminste voor zover dat strookt met de eigen opvattingen van de arts. Actieve levensbeëindiging is met name geoorloofd als de patiënt niet alleen om levensbeëindigend handelen verzoekt, maar ook in zijn wilsbeschikking stelt dat bepaalde handelingen bij ernstige dementie niet meer gestart of gestaakt zouden moeten worden en als door de ziekte een mensonwaardige en ontluisterende situatie ontstaat, aldus de commissie.

Over de vraag of actieve levensbeëindiging in andere gevallen is toegestaan, moet in eigen kring nog uitgebreid worden gediscussieerd, zegt de commissie. Als ernstig demente patiënten zonder wilsbeschikking ook andere verschijnselen vertonen die op ernstig lijden wijzen, “dan is het niet zonder meer uitgesloten te achten dat zich (uitzonderlijke) situaties voordoen waarin levensbeëindigend handelen moreel aanvaardbaar kan zijn”.

Een belangrijk verschil met euthanasie is volgens de commissie gelegen in de moeilijkheid dat de ernstig demente patiënt niet meer kan aangeven of hij onder de situatie lijdt. Een tweede verschil is dat de patiënt zelf de situatie niet als uitzichtloos kan ervaren. Niettemin noemt de commissie de situatie waarin de ernstig demente patiënt verkeert duurzaam en onomkeerbaar, “en eindigt zij in de dood na een periode van verregaande ontluistering”.

De commissie maakt onderscheid tussen levensverlengend, levensbekortend en levensbeëindigend handelen. Levensverlengend handelen (bijvoorbeeld door kunstmatige toediening van voedsel en vocht) zonder dat daarvan nog een verbetering in de toestand van de demente patiënt kan worden verwacht, is volgens haar ze eveneens ingrijpend. Daarom moeten dit soort handelingen ook op hun morele aanvaardbaarheid worden getoetst voordat de arts ermee begint. Bij levensbekortend handelen gaat het om het staken of niet beginnen van behandelingen en om vormen van pijnbestrijding waardoor de patiënt eerder overlijdt. De commissie stelt dat de arts hierbij steeds zorgvuldig moet afwegen wat zinvol en zinloos is.

Van levensbeëndiging is alleen sprake als dodelijke middelen worden toegediend. Pas als levensverlenging moreel niet meer aanvaardbaar is kan volgens de commissie de vraag naar de toelaatbaarheid van levensbekortend handelen aan de orde komen. Ze schat dat jaarlijks zo'n 4.500 tot vijfduizend demente patiënten sterven doordat is besloten een behandeling niet te beginnen of te staken. Levensbeëindiging is uiterst zeldzaam.

De commissie vindt dat artsen bij levensbekortend handelen een aantal eisen moeten in acht moeten nemen. Bij beslissingen waarbij een direct verband bestaat met het overlijden van de patiënt (staken van voedsel- en vochttoediening, levensbeëindigend handelen) moet de arts zijn inschatting van de situatie en zijn voornemens toetsen aan die van een ervaren collega. Bij voorkeur een collega die niet bij de behandeling van de patiënt betrokken is. Besluitvorming rond levensbekortend handelen moet in procedures worden vastgelegd, vindt de commissie. Instellingen in de gezondheidszorg zouden hun beleid in dergelijke procedures moeten vastleggen en tegelijkertijd duidelijkheid verschaffen over de inhoud van het beleid dat zij voeren.

De verslaglegging van levensbekortend handelen, die derden de mogelijkheid biedt om te zien op welke gronden de arts tot zijn beslissing is gekomen, moet volgens de commissie aan dezelfde eisen voldoen als bij euthanasie en hulp bij zelfdoding. Artsen dienen gevallen van actieve levensbeëindiging aan de gemeentelijke lijkschouwer te melden. De arts geeft dan geen verklaring van natuurlijke dood af.