Altijd slimmer dan de bullebakken; De onverzadigbaarheid van Charles Spencer Chaplin

De kleine zwerver Charlie Chaplin belichaamde als geen ander filmpersonage de essentie van de twintigste eeuw. Net als zijn geestelijke vader, over wie Richard Attenborough nu een film heeft gemaakt, was hij eenzaam, sentimenteel en charismatisch, en flirtte hij met totalitaire ideeën. “De gracieuze dans met de wereldbol in The Great Dictator was niet alleen een satire, maar ook de vervulling van een heimelijke wensdroom.”

Richard Attenborouhgs Chaplin gaat waarschijnlijk volgende week in première.

Toen Sir Charles Spencer Chaplin op Eerste Kerstdag 1977 overleed, waren de reacties overstelpend. Deze krant wijdde zelfs een hoofdartikel aan zijn leven en werk. Garbo, Hitchcock, Welles, Monroe noch Bogart hebben ooit in dezelfde mate tot de verbeelding gesproken van het grote publiek. Het is waarschijnlijk dat als vandaag over de hele wereld een enquête zou worden gehouden met de vraag slechts één filmheld te noemen, dat dan de naam van Chaplin het vaakst zou voorkomen.

De meeste superlatieve epitheta, die Chaplin door zijn bewonderaars toegeschreven zijn, lijken te kloppen. David Robinson, Chaplins betrouwbaarste biograaf, noemt het karakter van de kleine zwerver "the most universally recognized representation of a human being in the history of mankind'. Als we Jezus Christus buiten beschouwing laten, komen Napoleon Bonaparte (op wie Chaplins afwezige vader volgens zijn moeder leek) en Adolf Hitler waarschijnlijk nog het dichtst in de buurt. De laatste was vier dagen jonger dan Chaplin en vormde een obsessie, die gestalte kreeg in zijn vertolking van The Great Dictator (1940), waarin de personages van de zwerver en van de Führer met elkaar verward worden. “Dat snorretje heeft hij van mij gejat”, zegt Robert Downey Jr. in de titelrol van Richard Attenboroughs film Chaplin, die volgende week in Nederland in première gaat.

Megalomanie en zelfspot zijn nog maar twee van de vele tegenstrijdigheden in het karakter van de op 16 april 1889 in de Zuidlondense volksbuurt Lambeth geboren komiek. Geen enkele auteur ontkomt aan een beschrijving van Chaplin zonder minstens even veel aandacht te besteden aan zijn bizarre levensloop als aan zijn rigoureuze werkopvattingen. De film Chaplin, die in twee en een half uur noodzakelijkerwijs maar een globale indruk geeft van zijn leven en werk, rept bij voorbeeld slechts tussen de regels van Chaplins gierigheid en angst voor de bedelstaf, of van zijn behoefte om veelvuldig in het gezelschap van de groten der aarde te verkeren. Elke amateurpsycholoog kan die afwijkingen gemakkelijk projecteren op grond van de wel breeduit geschetste, bijna spreekwoordelijk geworden ontberingen van zijn jeugd.

Music hall

Charles Dickens had Chaplins jongensjaren kunnen bedenken. Zijn beide ouders waren artiesten in de "music hall', een volks soort varieté, dat tijdens de eeuwwisseling in Engeland triomfen vierde. Charles Chaplin sr. had redelijk veel succes met de vertolking van ballades, maar hij was ook een stevige drinker, die vrouw en kind snel in de steek liet. Charlie heeft zijn vader dus nauwelijks gekend, en moest ook aanzien hoe zijn moeder ten prooi viel aan een erfelijke vorm van krankzinnigheid. Een school heeft de jongen nauwelijks van binnen gezien, in tegenstelling tot verschillende "workhouses'. Het verklaart misschien de observatie van Stan Laurel, Charlies kamergenoot tijdens de Amerikaanse tournee van het revuegezelschap van Fred Karno, dat Chaplin steevast op zijn kamer een boek zat te lezen.

Robinson begint zijn biografie met de opmerking dat hij zich niet gekwalificeerd acht voor een freudiaanse interpretatie van Chaplin. Toch ligt het voor de hand te vermoeden dat diens door velen als kil ervaren persoonlijkheid te maken heeft met een al vroeg genomen besluit zich door niets of niemand meer te laten raken en zich een paar tot op grote hoogte geperfectioneerde, van zijn onbereikbare ouders afgekeken kunstjes eigen te maken. Op vijfjarige leeftijd sprong Chaplin het toneel op om het liedje af te maken waarvan zijn moeder de woorden vergeten was. En z'n eerste grote succesnummer op de planken was de imitatie van een dronkaard. Daarna creëerde hij het personage van "de kleine zwerver', al in zijn tweede film uit 1914. Chaplin vermengde eigenschappen van zijn vader en van zijn moeder in een aan lager wal geraakte gentleman, bewegend met vrouwelijke gratie, snel geïmponeerd door een romantisch ideaal, en altijd slimmer dan de macho-bullebakken die hem naar het leven stonden. Hij viel vaak, maar bleef altijd ongrijpbaar.

Eenakter

Waarom dat personage zo verschrikkelijk snel de wereld veroverde, is een moeilijker te beantwoorden vraag. Natuurlijk was Chaplin ambitieus, hongerig naar waardering en een ambachtelijk perfectionist, die zijn acteurs scènes rustig vijftig, zestig keer liet overdoen. Maar dat verklaart nog niet zijn populariteit. In februari 1914, snel na Chaplins aankomst in het nog slechts uit enkele loodsen bestaande Hollywood, kwam de eerste eenakter met "the little tramp' uit, in april maakte Chaplin zijn regiedebuut en aan het eind van het jaar was zijn roem al tot in Engeland doorgedrongen.

Chaplins alter ego is niet alleen ongrijpbaar, maar ook immuun voor de tand des tijds. Filmhelden worden nooit ouder, net als het door Oscar Wilde beschreven graaf Dorian Gray. Wie een Chaplin-film uit 1914 naast de een kwart eeuw later opgenomen The Great Dictator legt, moet moeite doen om het leeftijdsverschil op te merken. De kleine zwerver was als ikoon slechts tegen een ding niet bestand: de komst van de geluidsfilm. “Om te spreken, moet hij van zijn voetstuk stappen” zei Chaplin over zijn personage, “het voetstuk van de zwijgende film.”

Koppig

Met succes verzette Chaplin zich aanvankelijk tegen de opmars van de "talkies'. In de jaren dertig regisseerde hij nog twee, bijna archaïsche zwijgende films. De film Chaplin laat een sterk staaltje zien van diens koppigheid. Niemand wilde geloven hoe in het stomme City Lights (1931) het probleem opgelost kon worden dat een blind meisje (Virginia Cherrill) Charlie per abuis voor een miljonair aanziet. Het ei van Columbus was de overbekende scène, waarin een limousine stopt voor de neus van het bloemenmeisje en het portier opendoet, net op het moment dat Chaplin voorbijkomt. We zien dus een geluid, dat de blinde wel kan horen, en begrijpen onmiddellijk het misverstand.

Chaplins eerste sprekende film was de laatste waarin de zwerver voorkomt. Hij sterft, of liever, gaat op in de charismatische Führer Hynckel. Sommige critici ontlenen aan de pathetische slotmonoloog van The Great Dictator (1940), een goed bedoelde - en op dat moment in Amerika zeer omstreden - waarschuwing voor de naderende onmenselijkheid, het bewijs dat Chaplin beter zwijgende films had kunnen blijven maken.

De Amerikaanse filmcriticus David Thompson ziet een overeenkomst tussen Chaplin en Hitler: “Beiden geloofden dat er "kleine mensen' bestaan. Terwijl kunst er op zou moeten hameren dat alle mensen even groot zijn”.

Chaplins persoonlijkheid, zijn monomanie, eenzaamheid, egosme, sentimentaliteit en charisma, en bovenal zijn als humanisme vermomde koele berekening, deden hem flirten met totalitaire ideeën. De gracieuze dans met de wereldbol in The Great Dictator was niet alleen een satire, maar ook de vervulling van een heimelijke wensdroom.

De FBI zag in Chaplin graag een crypto-communist, die bovendien gemakkelijk te chanteren of anderszins lastig te vallen was met zijn verdorven privé-leven. In de film Chaplin bekent de oude autobiograaf aan zijn uitgever dat hij gelooft nooit naar een vrouw te hebben gekeken, zonder de gedachte of ze beschikbaar zou zijn: “Behalve als ik werkte, natuurlijk.” Vrouwen waren voor Chaplin figuranten in zijn leven, iets om te bezitten, mee op een balkon te verschijnen en een gevoel van eigenwaarde aan te ontlenen. Maar tegelijkertijd moet men Chaplin nageven dat hij over die behoefte soms verbazingwekkend eerlijk geweest is. Bij voorbeeld door zelf de rol te spelen van de op Landru gebaseerde vrouwenverzamelaar en -moordenaar in Monsieur Verdoux (1947). De aanwezigheid achter de rozenstruik in Verdoux' tuin van een oventje om de lijken in te verbranden, was twee jaar na de Holocaust bovendien een moedige verwijzing naar de potentiële massamoordenaar in elke toeschouwer, en vooral in Chaplin zelf.

De Amerikaanse overheid verdacht Chaplin van het aanhangen van de totalitaire ideologie. Dat was een domme reactie op een voor de heersende, democratische en egalitaire ideologen niet te begrijpen individualisme. Chaplin zou de laatste zijn om zich met huid en haar over te geven aan welke beweging dan ook. Als in de film Chaplin beweerd wordt dat de ware reden voor zijn verbanning uit Amerika (1952) lag in zijn seksleven, dan is dat een gewaagde conclusie. Slechts wanneer men Chaplins onverzadigbaarheid in een bredere context plaatst, vallen de beide stenen des aanstoots voor de heksenjagers samen.

Als geen ander filmpersonage belichaamde Charlie Chaplin de essentie van de twintigste eeuw: hij verrees uit de sloppen van de industriële revolutie, gaf de massa's hoop, verzette zich tegen de moderne tijd, geloofde bijna in zijn eigen pathos, struikelde over zijn grootheidswaan en vond ten slotte rust in een fraai gestoffeerd ballingsoord. Zijn charme verleidt nog steeds, in het medium waar hij bij uitstek geschikt voor was: de door Lenin en Hitler gelijkelijk bewonderde cinema.