Allemaal wegen

Het was aan het eind van de middag. De jongen liep met z'n twee neven door de stad. Ze praatten veel over hun ouders. Die waren lang geleden van Hongarije naar Nederland gevlucht.

Konden de jongens daar ook maar weer eens naar toe. Maar het land was te ver en de reis te duur.

Bij de rivier wees de jongen naar een plek boven de koepel van het grote theater en daar stond de maan in 't vroegste geel, badend in het zonlicht, aan de blauwe hemel. De neven waren sprakeloos, hier hadden ze nog nooit opgelet.

"Wat ver,' zei de jongste neef. "En toch zie je het.'

"M'n moeder heeft wel eens van me gedroomd,' zei z'n broer. "Helemaal in Amerika droomde ze van me.'

"Dromen is 's nachts aan iemand denken,' zei de jongen die de maan zo mooi naar overdag had getoverd. Hij wilde zijn succes voortzetten.

"Ik heb Amerika nooit gezien, maar toen dacht ik: als zij daar van me heeft gedroomd dan ben ik daar toch geweest.'

"Alleen 's nachts dan,' zei zijn broer.

"Nee, ook overdag, want toen ze 's morgens door de stad liep dacht ze nog aan die droom, toen schoot die haar pas te binnen.'

"'Wat droomde ze dan?'

"Dat ik met haar tenniste.'

"In Amerika?'

"Ja, op een groen veld.'

"Dat kon toch overal liggen.'

"Niet, want ze droomde het in Amerika.'

Nu de neven in topvorm waren zei de jongen niets. Dit verhaal was het mooist, ook als het verzonnen was. Zelfs die ene grote zak patates frites met de heerlijkste mayonnaise, veel geler dan de maan, stak er pover bij af.

Zwijgend liepen ze naar huis.

Als het waar was wat zijn neef zei en waarom zou het dat niet zijn, dan was de jongen 's nachts ook op twee of zelfs drie plaatsen tegelijk, als meer mensen in dezelfde nacht van hem droomden.

Het duizelde hem, zoveel mogelijkheden waren er. Stel dat zijn tante in New York ook van hem had gedroomd. In die droom zou ze met hem door Londen lopen, dat kon heel goed, in haar tenniskampioensjaren had ze overal gespeeld. Was hij in die ogenblikken dan niet tegelijkertijd in Londen, New York en Amsterdam?

Wie weet waar hij al had rondgelopen, zijn familie reisde veel. Ook tantes en ooms die in Hongarije waren achtergebleven hadden hem vroeger vast wel een paar keer gezien. Dan kon hij 's nachts ook in Boedapest zijn, jaren jonger dan hij nu was.

Later vertelde hij het aan zijn vader.

"Het doet me denken aan een schilderij dat in de krant heeft gestaan,' zei hij.

En hij liet de jongen het plaatje zien dat nu ook bij dit stukje staat.

De jongen keek er lang naar.

"Allemaal wegen,' zei hij. 'Het is net of je daar alle kanten tegelijk opgaat.'