Zonder leden

De toekomst van de politieke partijen; het is tegenwoordig een geliefd onderwerp op symposia. De VVD fleurde eerder dit jaar haar 45-jarig jubileum op met een debat over "de rol van de politieke partijen na het jaar 2000'. De wetenschappelijke bureaus van de vier grote politieke partijen hielden het twee weken geleden bij de vraag of partijen uit de tijd zijn.

Vergeleken met wat er op het ogenblik in het buitenland gebeurt, vormen de Nederlandse partijen oases van rust. Waar zijn ze toch, die geheime bankrekeningen waarlangs via allerlei slinkse omwegen smeergeld in het verkiezingsfonds worden gestort? De corruptieverhalen willen bij ons maar niet veel verder komen dan de eeuwige Limburgse wethouder die een keer copieus heeft gedineerd op kosten van de aannemer. Goed voor hooguit een rimpeling in de lokale politiek maar totaal onvoldoende om dezelfde orkaan te veroorzaken die partijen in landen als Frankrijk, Italië en Spanje teistert. In Nederland wordt het debat over het functioneren van de politieke partijen gevoerd zonder de schaduw van het schandaal. Dat maakt de discussie een stuk minder smeuïg, maar wel inhoudelijker. Althans, de discussie zou inhoudelijker kunnen zijn.

Wie politieke partij zegt, zegt tegenwoordig Ruud Koole. Deze Leidse politicoloog publiceerde het afgelopen jaar een omvangrijke studie naar de veranderende partij-organisatie in Nederland en introduceerde daarbij het begrip "moderne kaderpartij'. Deze heeft de plaats ingenomen van de tradionele, door een zuil gedomineerde massapartij. De moderne kaderpartij kenmerkt zich volgens Koole door een dominante partijtop, een lage organisatiegraad en een sterke gerichtheid op de kiezer. De electorale kwetsbaarheid van moderne kaderpartijen is groot, met name door het gegroeide gewicht van de zwevende kiezers. Hierdoor is de gerichtheid op de kiezers eveneens toegenomen.

Het is allemaal vrij herkenbaar. Elke maandagavond strijden de "gezichten' van de partijen tijdens spreekbeurten in het land met elkaar via de media om de gunst van de steeds groter wordende groep zwevende kiezers. De restanten van het actieve kader dienen in de zaal als levend decor. Zij zijn bijna rijp voor het reservaat. Het totaal aantal mensen dat in Nederland nog lid is van een politieke partij bedraagt nog geen 350.000: niet eens voldoende om een A-omroep te mogen beginnen. In 1963 was tien procent van alle kiesgerechtigden lid van een politieke partij, bij de Tweede-Kamerverkiezingen van 1989 was dat nog maar iets meer dan drie procent. Een percentage waarmee Nederland op één van de laatste plaatsen in Europa terecht komt. In werkelijkheid is het nog slechter, want gemiddeld is tien procent van de partijleden actief. Anders gezegd: politiek wordt in Nederland door niet meer dan 35.000 mensen gemaakt en beheerst.

Is dat erg? Koole vindt van niet. “Zolang partijen in staat zijn vele kiezers bij de verkiezingen en een groot aantal kandidaten voor een beperkt aantal publieke ambten te mobiliseren, is het ook vanuit een functionalistische optiek moeilijk vol te houden dat partijen in verval zijn”, schrijft hij in zijn boek. Partijen hebben zich aangepast aan een veranderende omgeving, is zijn stelling. Sinds de opkomst van de televisie is bijvoorbeeld een massale ledenaanhang niet meer nodig om de kiezers te bereiken. Er kan al bijna gesproken worden van een "Leidse school' want hoogleraar parlementaire geschiedenis Joop van den Berg van dezelfde universiteit denkt er al net zo over. “De kritiek op de politieke partijen is zo oud als het fenomeen zelf”, verklaarde hij twee weken geleden tijdens het symposium van de wetenschappelijke bureaus.

Kritiek op het functioneren van de politieke partijen wordt van politicologische zijde meestal gepareerd met een verwijzing naar de opkomstcijfers. Die zijn in Nederland zo slecht nog niet. Sinds de afschaffing van de opkomstplicht in 1971 is er geen duidelijke achteruitgang te constateren: ongeveer vier van de vijf kiesgerechtigden gaan stemmen. Gemakshalve worden bij deze vergelijking de gemeenteraadsverkiezingen buiten beschouwing gelaten. Daar daalde de opkomst van 73 procent in 1986 naar 62 procent in 1990. Maar opkomstcijfers zeggen lang niet alles. Het is hooguit een aanwijzing voor de "burgerzin' van mensen. Want evenmin als het aantal verkochte broden in een dorp waar maar één bakker is iets zegt over de kwaliteit, zegt de opkomst bij verkiezingen iets over de waardering van het politieke bedrijf. De tegenwoordig alom aanwezige calculerende, of negerende dan wel onverschillige hetzij apathische burger is wat dat betreft veelzeggender.

Er wordt binnen de partijen dan ook volop nagedacht. Gewapend met het boek van Koole proberen bestuurders inhoud te geven aan het begrip "moderne kaderpartij'. Niet de vraag verdienen we nog wel de macht staat echter centraal, maar hebben wel nog wel de macht. De fysieke en inhoudelijke leegloop heeft bij partijen nog niet tot bescheidenheid geleid. Integendeel. In omvang steeds kleiner geworden, is de invloed van de politieke partij op het "staatsapparaat' (in de ruimste zin van het woord) alleen maar toegenomen.

Professor Daalder die vorige week afscheid nam als hoogleraar van de universiteit van Leiden signaleerde in zijn afscheidscollege dat in de ambtenarij de partijpolitieke kleur meer dan vroeger een factor van betekenis is; niet alleen in de hoogste rangen (er bestaat geen secretaris-generaal die partijloos is), maar ook in de lagere rangen. De jonge ambtenaar met ambitie, zorgt tegenwoordig voor "een klein politiek profieltje', aldus Daalder. De bureaus van de secretarissen-generaal blijken een ideale werkplek voor ambtenaren met partijlidmaatschap, maar ook de departementale voorlichtingsdiensten raken steeds meer gepolitiseerd. Zo bestaat er sinds enige tijd het "Pullman-beraad' (vernoemd naar het Haagse hotel) van PvdA-angehauchte voorlichters die daar hun eigen bewindsliedenoverleg houden.

De adviesraden zijn "vergeven' van partijpolitiek gekleurde leden, de "deskundigen'-commissies die deelonderzoek doen naar bestuurlijke en staatsrechtelijke vernieuwing zijn samengesteld volgens partijpolitieke scheidslijnen, het commissariaat voor de media (bekend van de boetes) kent geen partijlozen, de ziekenfondsraad wordt voorgezeten door een oud-politicus, bij de benoeming van een nieuwe voorzitter van de Algemene Rekenkamer was de VVD aan de beurt, het voorzitterschap van de WRR ging opnieuw naar het CDA omdat de PvdA de SER al had en ook voorzitters van de nieuwe regionale besturen voor de arbeidsvoorziening misstaat een partijlidmaatschap niet.

Het heeft erg veel weg van een automatiseringsproces, waarbij de factor arbeid plaatsmaakt voor kapitaal en de produktie groeit. In het politieke bedrijf zijn de mensen verdwenen maar is de machtspositie versterkt. Onder dergelijke "gunstige' omstandigheden is een discussie binnen partijen over het functioneren van dé politiek een onmogelijke opgave. Slechts externe factoren zoals een schandaal of zwaar electoraal verlies kunnen het debat aanjagen. Maar schandalen kennen we niet, en electoraal verlies moet eerst blijken. Vandaar dat er voorlopig weinig zal veranderen.