Vu Quang Ox schakel tussen antilope en rund

Vorig jaar werd in Vietnam een raadselachtige hoefdier aangetroffen. Het blijkt een nieuwe soort te zijn. Ontdekker John MacKinnon en de Vietnamese overheid willen met snelle beschermingsmaatregelen verzamelaars een slag voor zijn.

Eigenlijk dachten biologen dat ze de ontdekkingen van grote landzoogdieren erop hadden zitten. Hooguit zou door wat gesleutel aan classificatie-criteria enkele bekende variteiten de status van aparte soort kunnen krijgen. En wellicht dat er nog ergens een nieuw spitsmuisje zou worden aangetroffen.

In de eerste helft van deze eeuw werd nog enkele grote soorten ontdekt, waar onder de Bongo, een Afrikaanse antilope, het Afrikaanse dwergnijlpaard en de Kouprey, een rundersoort die in Indo-China werd aangetroffen.

Maar nu is er dan een in westerse ogen geheel nieuwe soort - een behoorlijk groot landzoogdier bovendien. Nieuwe gegevens bevestigen dat het dier dat vorig jaar in Vietnam werd aangetroffen door een gezamenlijk team van het Wereldnatuurfonds (WWF) en de Vietnamese Bosdienst inderdaad nieuw is voor de wetenschap.

Volgens dr. John MacKinnon, een van de leiders van het team, hebben zowel Britse als Australische experts zonder meer bevestigd dat het om een nieuwe soort gaat. Hij vertegenwoordigt wellicht een aparte tak binnen de familie van de Bovidae, die runderen, schapen, geiten en antilopen omvat. Voorlopig krijgt hij als gewone Engelse naam "Vu Quang Ox', ofwel: Vu Quang rund.

Het dier doet met zijn opvallend lange, rechte en scherpe horens, op het eerste gezicht sterk denken aan de Afrikaanse en Arabische oryx-antilopen. Informeel wordt dan ook wel gesproken wordt van de "pseudo-oryx'. De bewoners van de streek noemen hem Sao La (Staaf horen), of Son Duong (Berg Geit).

Het dier werd ontdekt in mei 1992, in het Vu Quang Natuurreservaat aan de grens met Laos, op tien uur rijden vanaf Hanoi. Dit omvat het laatste ongerepte en uitgestrekte oerbos in Vietnam. Dr. John MacKinnon en zijn Vietnamese collega Vu Van Dung en hun team onderzochten het reservaat voor beheerdoeleinden. MacKinnon is deskundige op het gebied van de Aziatische bos-ecologie. Hij is een kopstuk binnen de natuurbescherming, en één van de laatste generalisten in de biologie, die met hetzelfde gemak over zoogdieren, vogels of natuurbehoudstrategie publiceert. Of, zoals hij zelf zegt: "Ik heb teveel specialisaties, dat is het probleem'. Na meer dan twintig jaar voor het WWF gewerkt te hebben, richtte hij het Asian Bureau for Conservation op, dat vaak met het WWF samenwerkt. Tijdens een korte terugkeer naar Engeland licht hij een tip van de sluier op over de nieuwe soort en zijn ontdekking.

Die ontdekking was een komplete verrassing. MacKinnon's team zocht aanvankelijk in het reservaat naar de Serow, of Sumatraanse bosgems (Capricornis sumatraenis) en had die inderdaad aangetroffen. "We hoopten in de bergen ook de Goral te vinden, een geitantilope, Naemorhedus goral. Ik was er van overtuigd dat die ook in dit gebied zou moeten voorkomen. Dus ik stuurde enkele mensen naar een dorp om te informeren naar "een tweede geit'. Toen ze terugkwamen vertelden ze dat de dorpelingen die inderdaad kenden, en er zelfs wat schedelonderdelen van hadden laten zien. Ik gaf mezelf net verheugd een schouderklopje, toe ze eraan toevoegden: "Maar hij heeft wel erg lange horens'. Toen ben ik ook maar gaan kijken.'

Maden

Meteen was duidelijk dat ze hier iets nieuws op het spoor waren. In hutten van jagers werden drie schedelfragmenten met horens gevonden. John Mackinnon vergenoegd: "Eén set was zo vers dat de maden er nog op kropen. Ik was blij dat te zien. Het betekende dat de soort nog leefde, maar vooral ook dat niet de een of ander in het verleden schedels van Afrikaanse antilopen had lopen verslepen.'

De Vietnamese wetenschappers hebben inmiddels vier vervolgbezoeken afgelegd, waarbij ze in verschillende nederzettingen de resten van maar liefst twintig exemplaren opspoorden, voornamelijk horens en schedels. Maar ook twee complete huiden, inclusief hoeven, van zowel een mannelijk als vrouwelijk dier. Deze konden worden gebruikt om de pseudo-oryx in opgezette vorm te tonen.

Er wordt gewerkt aan genetische analyse van weefselmonsters om de preciese familiebanden te bepalen. MacKinnon: "Een gedeelte ervan is nu klaar, en het blijkt behoorlijk ingewikkeld. Elke afgeronde analyse levert weer andere argumenten voor indeling.' Maar uit het eerste deel van de proeven kun je concluderen dat ze het nauwst verwant zijn aan de Afrikaanse schroefhoren-antilopen, zoals de eland antilope en de koedoe, maar ook nijlgau. Iedereen noemt dat antilopen, maar in feite zijn het gewoon primitieve runderen.'

De pseudo-oryx deelt kenmerken met drie verschillende onderfamilies en geslachtengroepen binnen de familie van de Bovidae (Holhoornigen), de grootste hoefdier-familie. Alleereerst dus met de Schroefhoornigen (Tragelaphini) en de Nijlgau-antilopen (Boselaphini). Daarnaast met de Runderen (Bovinae), waar binnen de kleine Anoa (Bubalus depressicornis) van Celebes als enige ook rechte naar achteren wijzende horens heeft. En dan is er tenslotte de geslachtengroep van de paardantilopen (Hippotraginae), die onder meer de oryxen omvat waar de nieuwe soort uiterlijk zo sterk aan doet denken.

De nieuwe holhoornige vormt mogelijk een interessante overgangsvorm tussen runderen en antilopen. Hij verschilt echter aanzienlijk van de bekende geslachten, en zal een eigen geslachtsnaam krijgen. MacKinnon: "Zelf vond ik het aardig om wat met de naam oryx te doen, vanwege de gelijkenis. Maar volgens anderen zou dat alleen maar verwarring scheppen - het is tenslotte geen oryx.' Ook de treffende naam pseudo-oryx, waarvan wel gesproken wordt, zal dus vervallen.

MacKinnon wil zich liever niet uitlaten over de nu meest waarschijnlijk naam. "Die wil ik pas wereldkundig maken na alle reacties van collega's te hebben gehad. Bovendien is de soortbeschrijving nog niet gepubliceerd.' Na enige stilte: "Waarschijnlijk komt het "ox' uit de voorlopige gewone naam terug in de geslachtsnaam, en de naam van de regio waar hij leeft - Nghe tinh - in de soortnaam.'

Vindt hij het niet verleidelijk om zijn eigen naam in de wetenschappelijke registratie te verwerken? "Natuurlijk kan het aangenaam zijn wanneer collega's een soort naar je vernoemen. Maar ik ben niet zo enthousiast over mensen die een soort naar zichzlf noemen. Ik wil zeker niet de eer niet opstrijken voor werk dat in feite door anderen is gedaan - de Vietnamezen. Ze leveren een enorme inspanning, vooralsnog zonder financiële hulp. Ik heb ze alleen geholpen, voornamelijk met de wetenschappelijke beschrijvingen en de publiciteit. Het in de wetenschappelijke naam verwerken van de gebiedsnaam is niet alleen veel meer terecht, maar de het heeft ook nog een positief effect. De bevolking voelt zich betrokken bij de soort en is er trots op.'

Uiterlijk

Voor de bescherming van de nieuwe soort is het mooi meegenomen: de dieren lopen er esthetisch verantwoord bij. De vachtkleur is diepbruin, afgewisseld met een uitgesproken zwart-witte tekening. De donkere rugstreep loopt door in de staart, die in een zwart kwastje eindigt. De kop vertoont zowel onder als boven het oog een witte streep en enkele lichte plekken. De zwarte poten hebben een witte sok boven de kleine hoeven.

Het gemiddelde gewicht wordt geschat op 80 kilo. De lengte is, vanaf de neus, ongeveer anderhalve meter, de ruim een decimeter lange staart niet meegerekend. De schouderhoogte is ongeveer 80 centimeter. De oren zijn relatief kort.

De horens vormen het meest opvallende kenmerk. De mannetjes hebben langere en wijder uiteenlopende horens dan de wijfjes, met een lengte van bijna een halve meter.

John MacKinnon: "De horens wijzen sterk naar achteren. Ze komen op de rug te rusten wanneer het dier zijn kop optilt. We vonden slijtplekken op de huiden waar de horens die geraakt hebben, en dat geeft informatie over de vermoedelijke neklengte. Die horens zijn goede wapens - stevig en scherp. Ze dienen zeker niet alleen als ornament. Uit slijtsporen is af te lezen dat ze vaak worden bijgescherpt door ze tegen boomstammen te wrijven.'

In hetzelfde gebied komen luipaarden en tijgers voor. MacKinnon geeft de pseudo-oryxen bij een confrontatie met roofdieren een goede kans. "Ze zijn niet atletisch gebouwd, maar met zulke horens hoef je, denk ik, ook niet te vluchten.'

Een ander bijzonder kenmerk van de soort is het gebit. De gevonden tandformule wijkt niet af van die van de meeste andere Bovidae, maar de tanden en kiezen zelf vertonen enkele verschillen. "De eerste kies is erg lang, en de snijtanden zijn eigenaardig gevormd. Bij een schaap, bijvoorbeeld, zie je dat die breed, spatelvormig naar voren uitlopen. Die van de "ox' zijn heel anders: staafvormig, en ze staan vrij recht ingeplant. Ik maak eruit op dat de dieren vooral zacht voedsel eten: vruchten en bepaalde bladeren van bomen en struiken, die ze kieskeurig uitzoeken en beknabbelen. Mogelijk hebben de dieren een zeker tolerantie voor bepaalde gifstoffen en eten ze planten die zich wel chemisch tegen herbivoren beveiligd hebben, maar niet fysiek.'

Hoogteverschillen

Op meer dan twintig locaties bij het Vu Quang Natuureservaat is het voorkomen van de pseudo-oryx nu met zekerheid vastgesteld. Deze bevinden zich alle langs de oerwoudrand van bosgordel langs de grens tussen Vietnam en Laos. De gevonden exemplaren bevonden aan de Vietnam-zijde, maar volgens plaatselijke jagers komt de soort ook aan de andere kant van de grens voor.

Het leefgebied kent flinke hoogteverschilen. De bergbossen worden gedomineerd door coniferen, terwijl de lagere gebieden bedekt zijn met overdadig, altijd groen regenwoud. De nieuwe soort lijkt gedurende de verschillende seizoenen alle boslagen te benutten, en zich zelfs te vertonen in secundair laagland-bos langs rivieren. Landbouwgrond schijnt het schuwe dier niet te betreden. Gedurende de zomermaanden houdt hij zich op in de bergen, mogelijk tot op tweeduizend meter hoogte. Maar in de winter, wanneer de bergstroompjes opdrogen, daalt hij af naar het laagland en wordt dan bejaagd.

Uit verhalen van de bevolking kan worden opgemaakt dat er enige honderden dieren in het wild leven. De soort trekt volgens jagers in kleine groepjes van twee tot drie dieren rond, een enkele maal in grotere groepen van maximaal zeven dieren.

Waardoor is de soort zo laat ontdekt? MacKinnon: "Hij leeft in een dun bevolkt gebied, waar nauwelijks landbouw plaatsvindt, hoewel dat nu wat begint te komen. De streek is pas de laatste twintig jaar bewoond. En de soort word niet alleen voor zijn vlees bejaagd, maar ook voor medicinaal gebruik. Daardoor verdwijnen haast alle resten van gedode dieren: ze worden geheel vermalen. De huiden werden altijd meegekookt, dus die verdwenen ook. Nu er opeens belangstelling is voor de soort wordt er meer van bewaard.'

Wat vindt MacKinnon van het voor wetenschappelijke doeleinden verzamelen van exemplaren? "We hebben nooit dieren besteld of op andere manieren de jacht aangemoedigd. Natuurlijk wil elk taxonomisch instituut of museum wel een exemplaar hebben, en de dierentuinen zullen zich ook wel gaan verdringen. Maar wij willen de soort in het wild bestuderen. Misschien is er, op wetenschappelijke gronden, niet op de vraag om één volledig exemplaar uit te komen. Maar daar moet het dan bij blijven. De dierentuinen zullen aanvoeren dat het vanuit conservatie-standpunt verstandig is een populatie in gevangenschap op te bouwen. Zelf houd ik niet van die gedachte. Maar er is misschien wel wat te zeggen voor het in de diepvries opslaan van voortplantings-materiaal.'

Bescherming

De soort is nog maar net ontdekt. Moet er nu ook direkt gevreesd worden voor zijn uitsterven? Volgens MacKinnon is er geen reden voor ernstige bezorgdheid. "Ik ben blij dat het verspreidingsgebied groter is dan we aanvankelijk dachten. In plaats van tweeduizend lijkt dat nu eerder tienduizend vierkante kilometer te beslaan. Het grensgebied waarlangs ze voorkomen is tweehonderd kilometer lang, maar tot hoe diep ze het aan weerszijden gebruiken is nog niet helemaal duidelijk.

"Waarschijnlijk heeft de soort nooit een veel grotere verspreiding gehad. Het reservaat en de omgeving zijn vrijwel onaangetast. Het is een echt bergdier, met aangepaste klimhoeven, dat al heel lang op grote hoogte leeft. Het is dus niet zo dat ze zich recent noodgedwongen in de bergen terugtrekken.

"Tot nu toe is de jachtdruk niet erg sterk. In de meeste dorpen worden ieder jaar twee of drie gedode dieren binnengebracht. Al met al zijn dat waarschijnlijk zo'n vijftig dieren per jaar. Maar door de belangstelling voor deze noviteit kan er een stormloop ontstaan om exemplaren te bemachtigen, en dus een toename van de jacht. We doen van alles om die te voorkomen.'

Prioriteit is het vastleggen van een wetenschappelijke naam. Pas wanneer de soort eenmaal officiel bestaat, kan hij in de nationale wetgeving beschermd worden verklaard. De Vietnamese overheid heeft weliswaar naar aanleiding van de vondst de oppervlakte van het reservaat al flink uitgebreid, maar een groot deel van de dieren leeft erbuiten. "Maar met een jachtverbod alleen zijn we er nog niet: in landelijke gebieden van Vietnam is weinig toezicht op naleving van de wet. Dus zal rond het reservaat flink campagne gevoerd worden voor de dieren. De volgende stap is natuurlijk, om de musea voor te zijn, de soort zo snel mogelijk op te nemen in CITES'. CITES, ofwel de Conventie van Washington, legt de internationale handel in bedreigde diersoorten aan banden.

Wat de toekomst van het reservaat betreft ziet MacKinnon geen ernstige problemen. Anders dan op veel andere plaatsen in Vietnam is er hier geen sterke bevolkingsdruk. "Het is een afgelegen streek, die bovendien in een grensgebied ligt. Er wordt niet veel bos gekapt. De mensen die er wonen zijn echte landbouwers, die weinig jagen - ze zijn er ook niet goed in. Het is niet moeilijk om ze alternatieve bronnen van inkomsten te verschaffen. We zijn er op tijd bij. En vergeet niet: de Vietnamezen zijn zich al sterk bewust van de waarde van de natuur. Ze beschouwen het bos als hun vriend. Dankzij het regenwoud hebben ze tenslotte een oorlog gewonnen.'