Voorwaardelijke straf geëist voor hulp arts bij zelfdoding

ASSEN, 8 APRIL. Tegen een 51-jarige psychiater uit Haarlem is gisteren voor de rechtbank in Assen een jaar voorwaardelijke gevangenisstraf geëist wegens hulp bij zelfdoding van een 50-jarige vrouw uit Ruinen.

Volgens de Assense officier van justitie, mr. R. Drenth, handelde de psychiater “zorgvuldig en naar eer en geweten”. Niettemin heeft hij door een verder gezonde vrouw dodelijke medicamenten te verschaffen, volgens de officier, “de grens geschonden van het door de overheid te beschermen algemeen belang”. Advocaat mr. E.P.R. Sutorius, raadsman van de medicus, betoogde dat zijn cliënt ontslagen moet worden van rechtsvervolging omdat hij “heeft gehandeld naar wetenschappelijk verantwoord medisch inzicht en in de medisch ethiek geldende normen”.

De psychiater heeft in september 1991 de vrouw, een maatschappelijk werkster, in haar woning in aanwezigheid van getuigen medicijnen gegeven waarmee zij zichzelf vervolgens om het leven bracht. De vrouw had na de traumatiserende dood van haar twee zoons en na het mislukken van haar huwelijk te kennen gegeven niet langer te willen leven.

Het proces tegen de Haarlemse psychiater heeft in hoge mate het karakter van een proefproces: het is voor het eerst dat een medicus in Nederland voor de rechter verschijnt op verdenking van het verlenen van hulp bij zelfdoding van een ondraaglijk geestelijk lijdend patiënt. De psychiater heeft zelf al het mogelijke gedaan om Justitie zoveel mogelijk informatie te verschaffen zodat zijn handelen door de rechter kan worden getoetst. Die opstelling beïnvloedde gisteren de sfeer tijdens de strafzitting. De psychiater herformuleerde regelmatig de vragen van de voorzitter, rechter mr. J. van der Vinne, omdat die naar zijn smaak “onzorgvuldig” waren. Officier van justitie Drenth putte zich uit in verontschuldigingen wanneer hij genoodzaakt was een onvriendelijk klinkende vraag te stellen.

Rechtbank en officier hadden vooral veel vragen over het feit dat de psychiater weliswaar een aantal collega's om advies heeft gevraagd, maar niemand daadwerkelijk naar de patiënte heeft laten kijken. De medicus verklaarde gisteren dat hem dat niet nodig leek en dat bovendien de geldende zorgvuldigheidseisen een second opinion niet verplicht stellen.

Meer principieel-juridisch spitst het proces tegen de psychiater zich toe op de vraag of zijn beroep op “noodtoestand” als strafuitsluitingsgrond voortvloeiend uit een conflict van plichten kan slagen. Immers, hulp bij zelfdoding is net als het plegen van euthanasie (doding op uitdrukkelijk verzoek) verboden in Nederland. De Tweede Kamer ging echter twee maanden geleden akkoord met een regeling waarbij artsen onder strikte zorgvuldigheidseisen straffeloos deze handelingen kunnen verrichten. Volgens deze redenering verkeert een arts die geconfronteerd wordt met de doodswens van een patiënt die uitzichtloos lijdt, in een “conflict van plichten”. In de woorden van Sutorius gisteren tijdens de zitting: “Waar de op de arts rustende plicht het ondraaglijk lijden van zijn patiënt op te heffen of te verlichten niet meer kan worden verzoend met de eveneens op hem rustende verplichting het leven te behouden raakt hij in een strafrechtelijke noodtoestand”.

De officier van justitie meende echter dat in dit geval het beroep op noodtoestand faalt. Omdat de psychiater zich als hulpverlener had aangemeld bij de Nederlandse Vereniging voor Vrijwillige Euthanasie (NVVE) om mensen op te vangen met suïcidale neigingen. Daarmee had hij volgens de officier zich bij voorbaat al in een situatie gebracht waarin het weigeren van hulp bij zelfdoding niet meer mogelijk was.

Volgens Sutorius is er echter geen sprake van dat zijn cliënt zich bij voorbaat, en dus verwijtbaar, in een situatie had gebracht waarin hij wel tot hulp moest overgaan. De psychiater heeft de vrouw eerst trachten over te halen tot een behandeling (“levenshulp”), pas toen dat niet lukte en bleek dat de vrouw vastbesloten was bij uitblijven van hulp om een minder “milde” manier een einde aan haar leven te maken, heeft hij toegestemd.

De rechtbank doet uitspraak op 21 april.